Welkom.

Iedereen hier welkom op mijn blog. Overal in de natuur is veel te zien en te beleven. Zeker als inwoner van Midden-Limburg, zittend in de tuin of lopend door het naast liggende landgoed is natuur vaak dichtbij. Naast natuur van dichtbij als natuur van verder weg probeer ik de natuur via mijn bescheiden blogje dichterbij te halen voor de lezers.

Pepersalami zonder peper.

Ons doel voor de wandeling in de Eifel is het kasteel Laufenburg. Het is een hoogteburcht op een hoogte van 217 NN en dat is te merken aan de stijgende kuitbijtende  weg. En dan worden onze inspanningen beloond. Wat een uitzicht. Bij het kasteel bevinden zich een paar weilanden, met meidoornhagen en een moestuin in het verder beboste gebied. Het kasteel was de vesting van de heren van Laufenburg, die afstamden van de hertogen van Limburg. De naam van het kasteel is vermoedelijk afgeleid van oude naam Löwenburg die nog te zien is in het wapenschild van de eerste eigenaren, de heren van 's-Hertogenrade. Zij bouwden in 1250 het kasteel, dat toen de meest oostelijke versterking van de hertogen van Limburg tegen de hertogen van Gulick en de keurvorsten van Keur-Keulen vormde. Aan het eind van de 17e eeuw werd het kasteel verwoest door de Fransen tijdens gevechten onder Lodewijk XIV. Het kasteel bleef bewaard als ruïne, maar werd in 1895 weer gerestaureerd. Het gebouw bestaat uit een donjon met een ringmuur die gebouwd is op een smalle bergtop. Oorspronkelijk was de donjon vijf verdiepingen en 27 meter hoog. Het stamde uit de 14e en 15e eeuw. De ringmuur is tien meter hoog en heeft nog een grote toren en drie hoektorens overgehouden.
 
 
Eenmaal op de binnenplaats worden we verwelkomt door een paartje gekraagde roodstaarten die ijverig hun jongen voeren. Tegenwoordig is het kasteel in gebruik als restaurant. We ruiken de koffie dus gaan we meteen maar op het bescheiden terras zitten. Kijkend naar boven  zie ik een mooi silhouet van een rode wouw in de blauwe lucht. Lang kan ik de wouw met zijn gevorkte staart niet volgen door de hoge kasteelmuren omlijsting. Als het veel te lekkere huisvlijt gebak op is wordt het weer tijd om verder te gaan. We verlaten de zonnige open ruimte en gaan we rustig dalend op de terugweg. Langs dit soort paden vindt en zie je altijd wel leuke dingen zoals kruisbek, appelvink, wijngaardslak, dasprenten, hangende zegge, bilzekruid, wolfskers en bosaardbeien.
 

 
Dan wordt mijn aandacht getrokken door een struikje met rode bessen die iets dieper in het bos van het pad staat. Het is een rood peperboompje (Daphne mezereum).  Daphne was oorspronkelijk de Griekse naam van wat nu Laurier heet, Laurus nobilis, een geheel andere plant. De plant werd genoemd naar de nimf Daphne, de dochter van de riviergod Peneus die in een struik werd veranderd om aan Apollo te kunnen ontkomen en is daarom een teken van kuisheid. Daphne betekent " glanzen of fakkel" , naar de glanzende bladeren. Mezereum betekent " doder van mensen". Aan de kleine afmeting van dit struikje tussen de 30 cm tot 1,2 meter is weinig dodelijks aan te zien. Maar vergis je niet ! De appetijtelijke rood glanzende sappige bolvormige bessen zijn erg giftig net als de rest van de plant. Zo is deze beschermd tegen de vraat  door dieren.
 
 
Maar niet alles aan de plant is giftig.  In maart en april verschijnen de  niet gesteelde bloemen zitten in bundels van 1 tot 4 in de oksels op het kale hout waar de afgevallen bladeren hebben gezeten. De bloemen zijn lichtpaars of roze, 1 tot 1,4 cm groot, hebben 4 slippen en zijn behaard. De 4 bloemdekbladen staan af. Aan de binnenkant zitten 2 kransen van 4 meeldraden met heel korte helmdraden. Door een onderlaag van het vruchtbeginsel wordt honig afgescheiden en deze wordt onder in de bloemdekbuis bewaard. Tal van vroeg vliegende bijen, vliegen en vlinders komen de bloemen bezoeken, die door haar sterke geur. Een insectenslurf gaat zonder stuifmeel te ontvangen, naar binnen. Zit er al stuifmeel aan, dan wordt dit aan de stempel afgegeven. Trekt het insect de met honig bezette slurf terug, dan blijft er stuifmeel aan kleven, dat in een volgende bloem weer wordt afgegeven. Het stuifmeel is beschut tegen regen, doordat de keel van het bloemdek knobbels draagt en daardoor zo nauw is, dat de regendruppels niet naar binnen kunnen dringen, wel echter een dunne insectenslurf. De verspreid staande bladeren zijn langwerpig, dun, kaal, hebben een gave rand en zijn 5 tot 12 cm lang. Ze zijn lichtgroen van kleur en staan dicht bij elkaar aan toppen van scheuten. Ze hebben een korte steel en zijn weinig of niet behaard. Peperboompje staat graag op vochtige, matig voedselarme tot matig voedselrijke, humeuze, kalkrijke grond (zand, leem, mergel en stenige plaatsen). In een groot deel van Europa en in West- en Midden-Siberië komt peperboompje voor. De kuststreken van West-Europa en het Middellandse Zeegebied worden voor een groot deel gemeden. In Nederland is rood peperboompje zeer zeldzaam en komt vooral oorspronkelijk voor in Oost-Nederland en in Zuid-Limburg. Mogelijk had deze soort ook een wilde groeiplaats in de duinen bij Velzen. Groeiplaatsen elders in ons land zijn waarschijnlijk het gevolg van aanplant of verwildering vanuit nabijgelegen tuinen. Deze soort is sterk afgenomen en wordt nu als ernstig bedreigd beschouwd in Nederland. In Oost-Nederland is nu alleen nog een levensvatbare groeiplaats aanwezig in Twente. Verder zijn uit dit deel van ons land nu alleen nog enkele solitaire struiken bekend. In Zuid-Limburg zijn nog meer groeiplaatsen bewaard gebleven, in de omgeving van Valkenburg aan de Geul, Schin op Geul en Wijlre. Populaties elders in Zuid-Limburg lijken inmiddels allemaal verdwenen te zijn.
 

 
Rood peperboompje is echte bosplant die goed is aangepast aan de beschaduwing door bomen. Toch komt deze soort met name tot bloei waar veel licht tot de ondergroei van het bos doordringt, zoals op kapvlaktes, langs bospaden, in bosranden of waar bomen zijn omgewaaid. Het is een kenmerkende soort voor oude bossen. In Oost-Nederland staan ze voornamelijk in oude rabattenbossen en in Zuid-Limburg hellingbossen. Na het staken van het hakhoutbeheer in de vijftiger jaren is zij achteruitgegaan in deze bossen, doordat er niet meer regelmatig sprake was van perioden met veel licht in de ondergroei door houtkap. Maar daarnaast is  verdroging, verruiging en het uitgraven van struiken, vanwege de mooie bloemen voor de tuin, ook sterk heeft bijgedragen aan het verdwijnen van wilde populaties. De soort staat daarom ook in 2015 helaas op de Rode lijst. Hier op deze groeiplek lijkt het goed te gaan.  Aan de afgezaagde boomstompen is duidelijk te zien dat er selectief grote naaldbomen zijn omgezaagd die er voor zorgen dat er weer de nodige lichtinval op de bodem komt. De edelherten vegen met hun geweien en vreten de overtollige opslag weg. Wilde zwijnen wroeten de grond los om zo het zaaibed voor de bessen alvast in orde te maken. Het ontbreken van goede wilde populaties van rood peperboompje als onmisbaar ingrediënt in onze Zuid-Limburgse bossen is een waar gemis en smaakt naar zoiets als een pepersalami zonder peper.
 

Lanen in, lanen uit.

In een landgoed van 600 ha bij Doetinchem staat het kasteel Slangenburg. Slangenburg wordt voor het eerst vermeld in 1354 als eigendom van Maes (Thomas) van Baer.  In de 17de eeuw werd het kasteel eigendom van de veldheer Frederik Johan van Bear (1645-1713), die het verbouwde om er te kunnen wonen.
 

 
Het is dan ook geen wonder dat juist hij de grootste stempel heeft gedrukt op het landgoed en het kasteel.  Een tijdje na zijn dood kwam het in de 18e eeuw in het bezit van de familie Steengracht en vererfde in 1781 op de familie Van der Goltz. In 1895 verkochten de erven Van der Goltz het landgoed aan de Duitse familie Passmann. Leden van deze laatste familie liggen begraven op de bijzondere begraafplaats naast de slotgracht. Het ommuurde kerkhofje heeft ook een gracht en de toegang is voorzien van een fraai gesmede poort.
 

 
Na de oorlog werden alle Duitse bezittingen verbeurd verklaard en zo werden het kasteel en de gebouwen binnen de buitengracht eigendom van de Nederlandse Staat en maakten als zodanig onderdeel uit van de portefeuille van de Rijksgebouwendienst. Het omliggende landgoed valt onder de zorg van Staatsbosbeheer. Het kasteel en de gebouwen binnen de buitengracht zijn op 15 januari 2016 samen met 28 andere monumenten overgedragen aan de Nationale Monumentenorganisatie. Reden van de overdracht is dat het object voor het Rijk geen functie heeft, maar vanwege de monumentale waarde wel goed beheerd en behouden dient te worden. Kasteel Slangenburg staat in de Top 100 van de Rijksdienst voor de Monumentenzorg. Het lanenstelsel van Landgoed Slangenburg is uniek voor Nederland, vanwege de schaal en authenticiteit.
 

 
De centrale as en oprijlaan is maar liefst anderhalve kilometer lang. Het is aangelegd in de vorm van een trapezium. Het zijn zeer oude bomen en dan komt het voor dat er vanwege leeftijd, storm, schimmelaantasting soms gaten vallen in deze statige lanen. Daarom worden er soms stukken laan gekapt en vervangen door nieuwe jonge bomen om het lanenstelsel in stand te houden voor de toekomst.
 

 
Om het verlies van holen in de oude beuken, die geveld zijn, op te vangen zijn er hier en daar ter compensatie een paar vleermuiskasten opgehangen. Vanwege hun hoge leeftijd is het ook niet verwonderlijk dat je hier leuke dieren en planten kunt aantreffen. Om een paar te noemen zien we een zwarte specht, groene specht, gewone salomonszegel en koningsvaren.
 

 
In juli is hengel (Melampyrum pratense) met zijn gele bloemen de meest opvallende plant. De afmeting van hengel is tussen de 15-50 cm en bloeit trouwens in de maanden juni, juli en augustus. De bloeiwijze is naar één  kant gekeerd en trosvormig. De kelktanden zijn veel korter dan de kroonbuis. De bloemen zijn geelwit, 2 cm en met  een rechte kroonbuis. De keel is meestal gesloten. De nectarrijke bloemen wordt bezocht door hommels zowel met korte als lange tongen bezocht.
 

 
De vrucht die na bevruchting ontwikkelt heeft ten hoogste vier tamelijk zware zaden met een oliehoudend weefsel aan de buitenkant, een zogenaamd mierenbroodje. Mieren zorgen voor de verspreiding van deze vruchten en je ziet dan ook soms aan de voet van een mierenhoop een groot aantal kiemplanten van hengel in het voorjaar. De vierkantige stengels hebben boogvormig opstijgende zijtakken en een iets voorover hangende top. De bladeren zijn eirond tot lijnvormig-langwerpig. Ze hebben een gave rand, zijn donkergroen, 3-6 cm lang en tot 3.5 cm breed. De schutbladen hebben vaak  aan de voet enkele grove, smal driehoekige, afstaande tanden. De onderste meestal met een gave rand. Hengel groeit het liefst op open plekken in loofbossen en langs bospaden. Maar ook kapvlakten, bosranden, struwelen, houtwallen, grazige vegetaties onder bomen, beschaduwde bermen en heide. De bodem van de groeiplaats is op half tot licht beschaduwde plaatsen op droge tot matig vochtige, matig voedselarme, stikstofarme, zwak zure tot zure grond met een vrij slecht verterende strooisellaag (zand en leem, soms op veen). Hengel is een halfparasiet die met zijn wortels zijn gastheer ondergronds aanboort zoals  zomereik, berk maar ook wel bosbessen. Een halfparasiet kan zich in stand houden door water met de daarin opgeloste mineralen te onttrekken aan de gastheer waarmee hij samenleeft. Dit mengsel kan hengel via fotosynthese omzetten voor eigen behoefte. In Nederland is hengel plaatselijk vrij algemeen in het oosten en midden van het land en vrij zeldzaam in Zuid-Limburg. Elders zeer zeldzaam, o.a. in de Hollandse duinen. Niet in Zeeland, het noordelijk zeekleigebied, op de Waddeneilanden en in Flevoland. In 2012 stond hengel op de rode lijst maar is thans niet bedreigd.
 

 
Op het grote landgoed bevinden zich ook nog een paar boerderijen en wandelend door de lanen levert dat regelmatig mooie doorkijkjes op.  Door de mengeling van historie, cultuur, natuur is het in allerlei opzichte heerlijk vertoeven door de schaduwrijke lanen van het landgoed Slangenburg.
 

Luchtig rinkelend geheugensteuntje.

Soms kom je in het veld gebouwen tegen waar je even achter je oren moet krabben. Eenmaal dichtbij wordt ik afgeleid door een rankende plant die gretig gebruik maakt van dit luchtige bouwsel.

Hop (Humulus lupulus) met haar tegenoverstaande bladeren zijn handvormig, drie- tot vijflobbig, onder de bloeiwijze ongedeeld, grof getand-gezaagd, gesteeld, aan de voet hartvormig en van boven ruw. De mannelijke lichtgroene 4-5 mm grote bloemen vormen pluimen. Ze hebben vijf bloembladen en vijf  meeldraden. De vrouwelijke bloemen zijn eveneens lichtgroen. Dit zijn bolletjes (rondachtige vruchtkegels van 2½-3 cm) met elkaar overlappende schutbladen. Deze groeien uit tot de overbekende 3 cm grote, groene eivormige hopbellen als smaakmaker voor bier. Het is een overblijvende plant die elk jaar weer 2 tot 6 meter slingerend de hoogte in kan  groeien. Met dit gebouw heeft de hop dus een goede steunpartner gevonden.

Dit gebouw, een luchtwachttoren, maakten onderdeel uit van een netwerk van uitkijkposten dat tussen 1950 en 1955, tijdens de Koude Oorlog, in ons land is opgezet om laag vliegende vliegtuigen te kunnen signaleren. Het in 1950 opgerichte Korps Luchtwachtdienst (KLD) kreeg de taak ‘om door middel van uitkijk- en luisterposten vijandelijke vliegtuigen waar te nemen en aldus gegevens te verstrekken, welke nodig zijn om vijandelijke luchtaanvallen te kunnen bestrijden en de eigen troepen en de bevolking tijdig te kunnen waarschuwen voor naderend luchtgevaar’. Het ging om het met zicht (kijkers) en gehoor signaleren, melden en volgen van laagvliegende vijandelijke vliegtuigen die beneden het toenmalig radarbereik vlogen, op een hoogte van minder dan 1500 meter overvlogen. Het netwerk van luchtwachtposten bestond uit 276 observatieposten, verspreid over heel Nederland. Deze posten werden bemand door vrijwilligers uit de burgerbevolking. Drie of soms vier observatieposten vormden samen een luchtwachtkring. Op die manier kon via driehoeksmetingen de positie van een vliegtuig zo nauwkeurig mogelijk worden vastgesteld. De posten gaven hun meldingen door aan een regionaal meldpunt, het luchtwachtcentrum, waarvan er acht waren. Deze luchtwachtcentra verwerkten de gegevens van de luchtwachtcentra en rapporteerden aan de centrale organisatie: Sector Operations Centre van het Commando Luchtverdediging, die zo nodig tot actie overging (inzetten van gevechtsvliegtuigen, luchtdoelartillerie en waarschuwen van de Bescherming Bevolking (BB). De luchtwachtposten werden waar mogelijk opgericht op terreinhoogten en op bestaande hoge gebouwen, zoals duintoppen, molenrompen, dijken, fabrieken, heuvels en bunkers. Waar geen bestaand hoog gebouw beschikbaar was, werden speciaal ontworpen losstaande torens gebouwd, de luchtwachttorens. De meeste luchtwachttorens zijn gebouwd in een opvallende betonconstructie, de raatbouw. De torens bestaan uit betonnen panelen met vele vierkante openingen (raatbouwelementen), die zijn ontworpen door architect M. Zwaagstra in opdracht van Defensie. Met deze prefab techniek konden snel torens van verschillende hoogte worden gebouwd. In totaal zijn er 138 losstaande torens gebouwd en 138 posten op bestaande gebouwen. In een enkel geval ontwierp men een van dit model afwijkende toren, zoals de nog bestaande bakstenen luchtwachttorens in Scheveningen (blauw vierkantje) en bij Oude Wetering (rood vierkantje).
Het KLD is al snel door ontwikkelingen ingehaald. Door snellere vliegtuigen en verbeterde radar was het via oog en oor volgen van vliegtuigen al snel nutteloos. In 1964 wordt het Korps Luchtwachtdienst ingekrompen. Als eerste worden de posten in het zuiden en midden van het land opgeheven. In 1968 volgde de definitieve opheffing van het Korps ook in de noordelijke kustregio’s. Nadat de torens hun functie verloren zijn de meeste uiteindelijk gesloopt met subsidie van het Rijk.

Van de 138 luchtwachttorens zijn er slechts zestien in tact overgebleven (blauwe, rode en zwarte bolletjes). Daarnaast zijn er nog drie halve torens (grijze bolletjes) min of meer bewaard gebleven. De luchtwachttoren met de hop (zwart bolletje) staat bij de ingang van het afval- en milieustation, tussen de Limburgse dorpen Linne en Montfort. De toren is van het veel gebouwde type E1050 en ruim 12 m. hoog. Deze toren is ook gebouwd van prefab betonnen raatbouwelementen. De toren is in matige staat, alle afdektegels zijn er afgevallen en niet alle trappen zijn nog aanwezig.

Bovenop de toren is het uitkijkplatform, dat bestaat uit een open ruimte van 3 bij 3 meter met een 1,5 meter hoge borstwering. Aan de westzijde van het uitkijkplatform is  de schuilnis. De toren maakte deel uit van de luchtwachtkring met de inmiddels verdwenen luchtwachtposten Stramproy en Heythuysen. De waarnemers rapporteerden aan het luchtwachtcentrum in Eindhoven. De toren was in gebruikt tot 1964, het jaar waarin het Korps Luchtwachtdienst in Zuid- en Midden-Nederland is opgeheven. De luchtwachttoren is ter camouflage in een bosrand geplaatst om te toren vanuit de lucht minder te laten opvallen. Inmiddels zijn de bomen hoger geworden dan de toren. Het bijzondere verhaal die bij deze toren hoort is dat dit de enigste luchtwachtpost waar ooit een vijandelijk vliegtuig (een Russische Iljoesjin) is waargenomen. In 1958 had het "vijandige" vliegtuig deelgenomen aan vliegshow op vliegveld Le Bourget bij Parijs en was bewust van de koers richting Rusland afgeweken om de grensgebieden te fotograferen. Na melding aan de Duitse luchtmacht heeft zij de Iljoesjin gedwongen te landen op vliegveld Düsseldorf. Veel van de 138 luchtwachttorens die werden gebouwd, zijn nadien weer gesloopt. Slechts 16 van deze torens resteren er nog in Nederland. Een handje vol zijn toegankelijk voor publiek (blauwe bolletjes) en hebben inmiddels de status van beschermd monument (rijksmonument, gemeentelijk monument of provinciaal monument). In Limburg staan er nog maar twee van deze luchtwachttorens. Deze twee hebben helaas geen beschermde status en gesloten voor publiek. Vanwege de zeldzaamheid van deze gebouwen en het bijzondere verhaal erachter is het de moeite waard om ook deze torens voor de toekomst te bewaren. Gebouwen die geen functie meer hebben worden vaak verwaarloosd. Daarom rinkel ik voor deze toren de (hop)bellen. Zou het niet mooi zijn als de eigenaar samen met verschillende instanties de koppen bij elkaar steken om ook deze  toren weer in ere te herstellen waarvoor die bedoeld is:  Namelijk  als uitkijktoren ten behoeve voor het volk. Dit keer niet  om vijandige vliegtuigen te spotten maar om juist van het vredige uitzicht van het Limburgse landschap te kunnen genieten. De geschiedenis heeft inmiddels bewezen dat mensen vanuit het verleden, heden voor de toekomst blijvend een luchtig geheugensteuntje nodig hebben.

Mooi succesvol.

Het is fijn om weer eens in de oude kern van Middelburg te zijn. Eenmaal ontsnapt van de weekmarkt drukte begint het echte genieten.

Onverwacht stuiten we op een, voor mij onbekende, plant. Het is niet een bescheiden plantje die ergens in een stenig hoekje verborgen staat om te worden ontdekt. Nee, vol ornaat in het zonlicht omzoomd de plant met vrolijke bloemetjes de grachten van Middelburg om te worden bewonderd.

Muurfijnstraal (Erigeron karvinskianus, synoniem Erigeron mucronatus) is een vaste plant die behoort tot de composietenfamilie (Asteraceae). Deze is goed te onderscheiden van aanverwante soorten zoals kleine aster (Aster tradescantii) en in mindere mate van zomerfijnstraal (Erigeron annuus).

De Nederlandse naam fijnstraal slaat op de fijne straalbloemen. De botanische naam Erigon is afkomstig van het Oudgriekse eri dat vroeg en geron, dat oude man betekent, hetgeen verwijst naar de grijze pluizige zaadpluis dat snel na de bloei in grote hoeveelheden verschijnt.  De Latijnse achternaam Karvinskianus is genoemd naar baron Wilhelm Friedrich Karwinski von Karwin (1780-1855) van oorsprong een Duitse maar geboren in Hongarije. In zijn tijd heeft hij veel planten- en dieren verzameld in Brazilië en Mexico. Muurfijnstraal is van oorsprong een subtropische soort, met een verspreidingsgebied dat zich beperkte tot Mexico en kleine delen van Guatemala en Panama. Van zo'n klein areaal is tegenwoordig geen sprake meer van. De soort heeft zich door menselijk toedoen haar grenzen behoorlijk verlegd. Ze is als eerste terecht gekomen in botanische tuinen en zo verspreid als sierplant bij diverse particuliere tuinbezitters. Ook vandaar uit is de plant verwilderd en zelfs succesvol ingeburgerd. Inmiddels is het een echte wereldburger in delen van Zuid-Amerika, Afrika, Zuidoost-Azië zoals India /Ceylon, Zuid-Australië, Nieuw-Zeeland, op enkele eilanden in het Pacifisch gebied zoals Hawaï/Fiji, alsook in West- en Zuid-Europa. Vooral in de gebieden die sterk onder de invloed staan van een luchtvochtige oceanische klimaat zal de soort zeker nog toenemen. Het verspreidingsbeeld van muurfijnstraal in Europa geeft die afhankelijkheid goed weer. De verspreiding in Europa is geleidelijk gegaan. Vanaf 1836 is deze als sierplant naar Europa gehaald. Rond 1850 was deze reeds in Frankrijk ingeburgerd, vervolgens in Portugal (1878), in Italië eind vorige eeuw, in Zwitserland in rond 1920. Na 1930 was Groot-Brittannië aan de beurt en recent ook in Zuid-Duitsland en Oostenrijk. In Nederland is muurfijnstraal ingeburgerd tussen 1975 en 1999 maar is nog steeds zeldzaam in stedelijke gebieden met als zwaartepunt Amsterdam, Rotterdam, Leiden, Delft, Haarlem, Alkmaar, Utrecht en Middelburg.

Voordat ik het wist had ik de verspreiding van muurfijnstraal in het zonnige Middelburg in kaart gebracht. Wellicht leuk om over een paar jaar weer eens een rondje te maken. Vanuit deze oude stadskernen verspreiden ze zich langzaam verder naar andere menselijke bewoningen. In hun oorspronkelijke leefgebied komt muurfijnstraal voor op zonnige, open plaatsen op droge tot vochthoudende, stenige grond.  Dus in steden vinden ze de juiste voedingsbodem om zich  tussen straatstenen, aan de voet van muren en op oude muren te vestigen.

Maar dat kan de plant niet alleen! Het zou mooi zijn als wij mensen met onze stedelijke schoonheidswaanzin de muren eens een keertje met rust zouden laten. Er wordt al te vaak, te veel onnodig (verkeerd) gerestaureerd en schoongemaakt. Die schoonmaakdrang bedreigd niet alleen muurfijnstraal maar ook onze inheemse muurflora zoals steenbreekvaren, muurleeuwenbek en tongvaren (zie rode pijlen).

Door alleen met de handen op de rug naar muren te kijken zal muurfijnstraal in de toekomst vast en zeker nog wel meer steden in ons monumentrijk land gaan veroveren en dat is iets om naar uit te kijken. We kunnen dan ook niet alleen spreken van een mooie maar vooral succesvolle urbane plantensoort.

Urban badger pleasure.

Via allerlei wegen kreeg ik vorig jaar berichten dat er een das (Meles meles) een burcht probeerde te graven. Dat is voor mij natuurlijk altijd heugelijk nieuws om te horen. Helaas wordt dit soort graverij  niet door iedereen zo ervaren.  In het algemeen vinden mensen wilde dieren mooi en belangrijk maar dat moet vooral geen "overlast" veroorzaken in hun eigen achtertuin. Met dat menselijke aspect van "dierenliefde" in mijn achterhoofd ben ik polshoogte gaan nemen in een paar tuinen in het dorp Melick. Gelukkig grenzen de drie tuinen aan elkaar dat vergemakkelijkt het bezoek. Als ik de groene villawijk binnen rij is het ook niet zo vreemd dat de das juist hier zijn geluk beproefd.

De vele kort gemaaide gazonnetjes omzoomd door opgaand groen biedt de das veel goede foerageermogelijkheden met tijdelijke schuilgelegenheid bij onraad. In de eerste riante tuin met een groot gazon is, in de border met struiken en als ondergroei klimop, een dassenpijp aanwezig. Op het uitgegraven zand is een duidelijke dassenprent zichtbaar. Maar de pijp is nog maar ongeveer 40 cm diep. Om de Das te ontmoedigen wordt de uitgegraven zand terug geschept en goed aangestamd, daarna is er nog een grote grindtegel opgelegd. Voor mijn bezoek was er ook al een ondiepe pijp dicht gemaakt door een medewerker van de Provincie Limburg. Terwijl ik toekijk wenste ik dat dit mijn tuin was. Dan liet ik de das met rust maar helaas dit is niet mijn tuin.

In het mooi strak groene gazon zijn een paar verse voedselputjes (rode pijltjes)  zichtbaar. Dit soort "schade" in het gazon is gemakkelijk te herstellen.

Bij de verdere rondgang in de tuin bekijk ik ook nog twee doorgangen die onder de tuinafscheiding zijn gevonden. Om verdere "schade" te voorkomen kun je hier beter niet aankomen want anders graven ze toch weer andere gaten onder de omheining om bij het wormrijke gazon te komen. Bij de tweede tuin lag er zoveel zand dat de deur van het tuinhuisje geblokkeerd was. De tuinman had deze hoop zand al verwijderd en de aanwezige pijp helaas dichtgegooid. Onder de laurierstruik vindt ik een groot aantal mestputjes die aangeven dat de das al veel langer in de tuinen rondstruint dan men aanneemt. Om een beter beeld te krijgen hoe vaak de das hier aanwezig is zet ik voor een paar dagen de wildcamera. Dit leverde behalve merels en katten niet veel bijzonders op. Toch is de das 's nachts net buiten het zicht van de camera in de tuin geweest. Kleine verse voedselputjes in het gazon en iets grotere putjes bij de lavendelstruiken. In de border bij het tuinpad naast het huis is een onderdoorgang en ook daar staan verse prenten.

Daarom besloot ik om de wildcamera hier aan de houten schutting te plaatsen. Even afwachten dus. Bij de derde riante tuin zijn ook voedselputjes in het gazon maar ook deze vormen voor de bewoners niet zo'n groot probleem. Hier springt wel regelmatig het dievenlicht aan maar de bewoners hebben de das niet goed kunnen zien. Wellicht krijgen ze nog een herkansing! Een paar dagen later heb ik nieuwe beelden van de wildcamera bekeken.

De das staat er mooi op en elke nacht is de das aanwezig en er staan overal verse dassenprenten. Daarom besluit ik de wildcamera bij de ingang van de opnieuw open gegraven pijp bij het tuinhuisje op te hangen.

Maar om dat visueel vast te stellen ging niet zonder slag en stoot. Bij het verder uitgraven van de pijp heeft de das in zijn enthousiasme ervoor gezorgd dat de lens bedekt raakte met het rondvliegende zand.

Inmiddels heb ik de wildcamera schoongemaakt en ververst met nieuwe batterijen. Het blijft dus even spannend wat ik nog meer te zien krijg van deze dorpse das. Na een paar dagen heb ik wederom de beelden bekeken van de das. Uit deze beelden met datum en tijdsaanduiding blijkt dat de das de pijp gebruikt om daar overdag in te slapen. De tijd verstrijkt en ga regelmatig polshoogte nemen hoe het met de burcht ervoor staat. Door andere bewoners werd ik aangesproken en leidde mij naar een tweede dassenburcht in een andere tuin. Gelukkig heb ik drie wildcamera's en die zijn nu in volle inzet. Op een gegeven moment heeft de tuinman van de eerste tuin  de dassenpijp van de burcht dichtgegooid. Gelukkig was de das op dat moment in de andere burcht! Maar daar weet de das wel raad mee en al vlug is de dichtgemaakte burcht weer open gegraven.

Vanuit deze burcht heeft hij inmiddels toegang tot twee tuinen.  Zo kan hij gemakkelijk ook in andere tuinen komen. Naast leuke beelden van de das verschijnen er ook nog andere bijzondere zoogdieren op wildcamera beelden zoals een bunzing, steenmarter, vos en overdag een eekhoorn. Mijn vrouw is zo vriendelijk geweest om de filmbeelden van de das mooi te verpakken in een filmpje. Bij de tuingesprekken zijn de mensen vooral geïnteresseerd om te weten hoe ze van de das verlost kunnen worden. Daarnaast wordt er vaak naar voren gebracht dat er teveel dassen zouden zijn. Dan moet ik me tegenover de "getergde" tuineigenaren vaak verstandiger wijs bedwingen. Maar ik vindt het vooral zinvol om af te vragen en te zeggen waarom een das  in de bebouwde kom gaat fourageren.

De das die de tuinen bezoekt kan afkomstig zijn van de twee dichtstbijzijnde dassenburchten aan de rand van het Roerdal (kleine rode bolletjes). Dat er een te grote druk heerst onder de dassenpopulatie kan ik mij nauwelijks voorstellen omdat lang nog niet alle dassenburchtlocaties in het Roerdal bewoond of optimaal bezet zijn.

Daarnaast zijn er recent nog verkeersslachtoffers op de provinciale weg de N293 te betreuren (kleine zwarte bolletjes). En in de toekomst zullen er helaas nog wel meer verkeersslachtoffers vallen op deze drukke weg om de roerdalpopulatie uit te dunnen. De das heeft hier in het verleden vast en zeker vaker de woonwijk ongemerkt bezocht maar heeft zich dit keer duidelijk zichtbaar verraden door zijn graverij. Zelf heb ik een paar jaar geleden op een zeer vroege ochtend een das vanuit de bewoonde bebouwing van Melick naar het Roerdal de drukke N293 zien oversteken (grote rode pijl). De overige rode pijltjes geven aan waar de das zeer gemakkelijk het dorp binnen kan wandelen.

In 2001 kwam ik voor het eerst in aanraking met urban badgers in de stad Roermond.  De Roermondse stadse das  en kraamburcht wordt door de Gemeente Roermond gelukkig beschermd en gekoesterd. Er is zelfs speciaal voor hun een paar dassentunnels onder een aantal drukke wegen gemaakt om ze een veilige route te  verschaffen naar het buitengebied. Zo blijven de stadse dassen niet verstoken van hun familie op het platteland. Daar heb ik een verhaal over geschreven in het tijdschrift Naturspiegel: Das Magazin für Natur und Umwelt am Niederrhein. Voor wie de taal machtig is, is het misschien leuk leesvoer (deel 1 en deel 2). Door iets nauwkeuriger te kijken zowel in de privé tuinen als de gemeentelijke gazons in Melick valt het op dat er veel wormhoopjes tussen het gras te zien zijn. Kijk je in het buitengebied in een doorsnee gifgroen grasland die regelmatig vol geïnjecteerd zijn met gier wordt het pijnlijk duidelijk dat de regenwormen hier in grote getale ontbreken. Vooral omdat het hoofdbestanddeel van het voedselpakket  juist uit  regenwormen bestaat is het niet verwonderlijk dat de das het risico neemt om de gevaarlijke N293 over te steken om in de bebouwde kom te gaan fourageren op de wormrijke gazons.

Het heeft dus niet alleen te maken met de avontuurlijke aard van een individuele das maar meer met het aantrekkelijke voedselaanbod. Dat zet je aan het denken. Ons buitengebied wordt blijkbaar nog steeds teveel en te vaak vermest en daar kan het hoofdvoedsel van de das namelijk regenwormen niet tegen. Ook komen er steeds meer wegen bij en de verkeersintensiteit neemt toe. Hierdoor holt de kwaliteit van ons buitengebied op allerlei fronten nog steeds verder achteruit.  Maar aan dat achterliggende verhaal hebben  tuineigenaren in het algemeen niet zo'n grote boodschap aan. In ons tot in de puntjes  georganiseerde land moet alles in hokjes worden gekwalificeerd en alles wat daar buiten valt is niet normaal of ongewenst. Dassen worden in de ideale wereld meestal geassocieerd met liefelijke landelijke en bosrijke omgeving. In Groot-Brittannië is men iets meer gewend. In de loop van de laatste 50 jaar, is er een merkbare toename van het aantal dassen dat in stedelijke omgeving een burcht graaft. Men heeft daar zelfs een mooie naam voor: "Urban badgers". Uiteraard ontstaan ook hier wrijvingen maar op een of andere manier kunnen de mensen daar goed mee leven. Merendeel van de mensen daar vinden het juist prachtig om dassen te observeren in hun eigen achtertuin. Door de steeds toenemende urbanisatie van het landschap moet de natuur en ook de dassen zich wel aanpassen aan deze nieuwe omstandigheden om te overleven. En dat doen ze daar met succes.  Dat je dassen in Londen en andere Britse steden kunt zien is dan ook geen bijzonderheid meer.  Wij mensen hebben het zelf in de hand als we ons buitengebied en open stedelijke, dorpse  groene ruimte steeds verder uitknijpen. Afgezien van de kleine problemen die dassen door het fourageren kunnen veroorzaken in particuliere tuinen moet men niet vergeten dat dassen in deze tuinen vooral prooidieren eten  die juist door de tuinliefhebber als schadelijk worden ervaren. Zoals bijvoorbeeld (naakt)slakken die het voorzien hebben op hun fraaie hosta's. Ook graverij van knabbel grage konijnen,  muizennesten, engerlingen en emelten die het gazon ondergronds opvreten. Daarnaast zijn het goede opruimers van kleine dierlijke stinkende karkassen en rottend fruit.

Als er dassen uw tuin bezoeken kun je ze helpen door het verstrekken van bakje water. Of af en toe nat kattenvoedsel of hondenvoer te geven tijdens de avonduren. Ze zijn ook gek op pitloze druiven, appels, peren, pruimen, ongebrande pinda's of paranoten. Maar net als bij het voeren van vogels en eekhoorns alles in mate. Ze moeten er niet op berekend zijn dat deze kunstmatige voeding elke avond aanwezig is. Ik zelf ben niet zo'n voorstander van het voeren van dieren maar in sommige gevallen kan het "afleidend" voeren helpen bij het verlagen van "gazonschade". De Provincie Limburg komt de bewoners tegemoet door te beslissen dat het beter is dat de das gevangen wordt en elders op een geschikte locatie uit te zetten. De "bijna-gevangen" pogingen van de Provincie Limburg leverde niks op en koos de das het hazenpad. 

U zult zich natuurlijk afvragen hoe is het nu met de urban badger? Op 8 maart is de urban badger is voor het laatst in de tuinen waargenomen. Helaas werd veel later op 30 maart een doodgereden das gemeld. Toen ik terplekke op de N293 (bij de grote rode pijl) ging kijken was er geen dode das meer  te bekennen. Iemand anders is mij voor geweest en heeft hem opgeraapt. Navraag bij de Gemeente Roerdalen en Provincie Limburg leverde niks op. Maar na een beetje speurwerk van de Provincie kreeg ik uiteindelijk een mailtje met foto's van een sub-adult mannelijk dier. Deze was opgeraapt door een jachtopzichter en vervoerd naar een diepvrieskist in Echt. Hier worden grote verkeersslachtoffers bewaard die gebruikt worden voor het natuurproject: Dood doet Leven. Daar er in de tuinen van Melick geen dasactiviteit meer is waargenomen gaat het dan ook misschien om de urban badger. Uiteraard weten we niet zeker of het om "onze" urban badger gaat.  Hoe dan ook dit verkeersslachtoffer laat zien dat het vast en zeker niet de laatste keer zal zijn dat een das een poging onderneemt om zich te vestigen in de bebouwde kom. Bij deze wil ik iedereen bedanken voor hun medewerking: Rene Janssen, Peter Heuts,  Gemeente Roerdalen, Provincie Limburg en de tuineigenaren van Melick voor toestemming om hun tuinen te betreden. Speciaal dank aan Johan Maessen van de Provincie Limburg die zich heeft ingezet voor het welzijn van de Das. Tenslotte nog een woord aan iedereen: Oordeel niet te hard als er een das in uw tuin/plantsoen verschijnt.  Heb ook begrip voor hun situatie en zo kan iedereen genieten van de urban pleasure.

Groene ooievaarstroom.

De witte ooievaar (Ciconia ciconia)  was rond 1910 een bekende verschijning, met landelijk tenminste 500 broedparen in Nederland. Na een decennia lange afname, vooral een gevolg van intensiever agrarisch grondgebruik, waren er rond 1990 maar 10 paren over. Het fokken, uitzetten en bijvoederen van ooievaars, begonnen in 1969 en wierp na een lange aanloop vruchten af. Na 1990 herstelde de populatie zich weer en groeide zelfs tot meer dan 800 broedparen. De betrokken vogels, merendeels afstammelingen van het fokproject, vertonen in toenemende mate weer 'wild' gedrag. Zo trekt het merendeel van de jonge vogels weg. De verspreiding, lange tijd sterk geconcentreerd rond de voormalige fokcentra, wordt geleidelijk ruimer. Zelfs in Oost- en Zuid-Nederland broeden tegenwoordig enkele ooievaars. Ook over de grens in Duitsland is eenzelfde ontwikkeling gaande als in Nederland.

Vorig jaar heb ik tijdens een doorreis bij het Friese dorp Nordbergum (groot rood bolletje) een ooievaarsnest gezien.

Op zich niks "bijzonders" maar de locatie is voor Nederlandse begrippen toch wel speciaal. Witte ooievaars hebben hier hun nest gebouwd op een hoogspanningsmast.

Terwijl ik kijk was het behoorlijk druk op het fietspad. Regelmatig stoppen fietsers met of zonder kroost om even een blik naar boven te werpen naar de bewoners. Zelf wandelaars of een fotograaf met een telelens bezorgt bij de zwart witte bewoners met rode snavel geen argwaan en blijven gewoon doorgaan met hun dagelijkse bezigheden op hun nest. Het is ook niet voor niets dat ze deze hoge locatie uit hebben gezocht. Van hieruit kunnen ze het vlakke Groningse landschap, boven de boomtoppen uit,  goed over zien. Het  is elke keer weer een prachtig gezicht om te zien hoe de natuur toch steeds weer gebruik weet te maken van het veranderende landschap.

Ja, uiteraard kunnen deze  hoogspanningsmasten met hun kabels  voor deze vogels met een spanwijdte van maximaal 220 cm en hun grote takkenbosnesten levensgevaarlijk zijn. In Portugal weten ze daar alles van! In mei 2000 kwam een nest in aanraking met deze kabels. De  nationale hoogspanningsnetwerk beleefde hierdoor de grootste "black-out"  van de laatste twee decennia.  Lissabon en de gehele zuidelijke helft van Portugal was in het donker gehuld. Je kunt als maatschappij natuurlijk de ooievaars de oorlog verklaren en om het probleem op te lossen door alle nesten te verwijderen. Maar dat is vechten tegen de bierkaai  want de witte ooievaar populatie is in Portugal nog steeds groeiende. De Portugese Vogelbescherming (SPEA) meldde in 2005 dat het aantal broedende ooievaars in Portugal zich in de laatste 2 decennia heeft vervijfvoudigd.  De organisatie gaf aan dat in 2004 minstens 7685 nesten waren geteld,  5 keer meer dan er tijdens een onderzoek in 1984 waren geteld. De ooievaarpopulatie in Portugal is inmiddels gelijk aan het niveau van de eerste helft van de vorige eeuw, vóór de periode dat het aantal dramatisch afnam als gevolg van het gebruik van pesticiden en de afname van hun habitat door het droogleggen van wetlands.

Het aantal broedgevallen in hoogspanningsmasten kon dus niet uitblijven. In 2009 werden 1610 nesten geteld. In 2012 waren er 1837 nesten geteld  en een paar jaar later is dat aantal naar 2355 gestegen op hoogspanningsmasten. Daarom hebben de Portugese elektriciteitsbedrijven een wijs besluit genomen om niet tegen de natuur te vechten maar om met de natuur mee te werken. Daar waar de ooievaars vanuit veiligheidoverwegingen mogen broeden worden platforms geïnstalleerd in de hoogspanningsmasten. Tegelijkertijd worden er op de ongewenste  plekken grote ventilatoren geplaatst waar de ooievaars niet mogen broeden.  Met een opwaartse thermiek zwevend over het internet kwam ik dit zeer interessant Portugees filmpje tegen die niets aan de duidelijkheid over laat hoe men dit aanpakt. Na een diep dal  worden steeds meer witte ooievaars in Nederland gezien en nemen de broedgevallen nemen steeds meer toe. Ook in het  Midden-Limburgse Roerdal worden ook steeds meer ooievaars gezien. Mijn hart slaat steeds weer over als ik hier eentje of meerdere in het Roerdal zie. Helaas ontbreekt er nog steeds broedgelegenheid in het Roerdal.

Je kunt natuurlijk de traditionele ooievaarsnesten plaatsen zoals dit eenzame exemplaar (oranje bolletje) bij Vlodrop.

Maar in Roerdal staan ook een aantal geschikte grote hoogspanningsmasten (rode bolletjes) en een betere combinatie kun je niet bedenken.  Het aantal  ooievaars dat op de Nederlandse hoogspanningsmasten nesten maken om te gaan broeden is nog beperkt.  Maar die paar broedgevallen laten zien dat ze het er wel naar hun zin hebben en ik verwacht dat er nog meer zullen volgen. Waarom wachten op technische problemen? En waarom zou je de  Portugese oplossing  niet ook gewoon in Nederland gaan  toepassen? De hoogspanningsmasten staan er nu toch eenmaal  en maak daar dan ook zinvol gebruik van. Wat zou het een klein geluk zijn om deze hoogspanningsmasten in het Roerdal, al is het maar als proef, ook te voorzien van broedplatforms voor de ooievaars.

Natuur beschermen is prima  maar voorwaarden scheppen voor natuur is nog veel belangrijker. En welke Nederlandse energie netbeheerder durft deze uitdaging aan om eens zijn nek uit te steken voor onze ooievaars? Het voorbeeld in Portugal laat overduidelijk zien hoe je ooievaars kunt helpen aan broedgelegenheid en tegelijkertijd de stroomvoorziening  voor de toekomst op een verantwoorde groene manier kunt garanderen.

Succes formule.

In het verleden heb ik jaren nauwkeurig gegevens verzameld van de kerkuil (Tyto alba) in Limburg. Geen broedgevallen, zichtwaarnemingen, braakballen of veren maar verkeersslachtoffers. Vanuit mijn werk maakte ik veel kilometers over het asfalt en zag ze vaak in de berm liggen. Al dan niet wuivend met een (duim)vleugel. Met bepaalde projecten liep ik gehuld in een oranje veiligheidsvestje langs provinciale-/snelwegen, uiteraard met toestemming van Provincie Limburg/Rijkswaterstaat.

Als ik geen vergunning had liep ik niet met de lengte mee. Dan ging ik zo veilig en zo onopvallend mogelijk de kerkuil op rapen. Als ik een kerkuil op een moeilijk bereikbare plek zie liggen zoals de middenberm van de snelweg deed ik deze oprapen in de rustige uurtjes. In de auto leg ik dan een kaartje onder de voorruit met de tekst: ”Ik ben niet levensmoe en raap met mijn volle verstand een verkeersslachtoffer (kerkuil) op!” Dat is voor het geval als het anders verloopt dan ik zou verwachten.  Op de provinciale wegen zocht ik een parkeerhaventje op en dan benutte ik, als er een fietspad was, om terug te lopen naar de plek des onheil. Uiteraard werd ik wel eens aangesproken door de  politie. Maar dat was meer uit nieuwsgierigheid en/of om hun tijd op te vullen! Als je alibi maar klopt! Elke keer als ik alle gegevens in het jaaroverzicht had gezet kreeg ik een onbehagelijk gevoel van de hoeveelheid kerkuilen die het slachtoffer zijn geworden van het verkeer in Limburg. Tegenwoordig noteer ik alleen nog bij hoge uitzondering dode kerkuilen. Het klinkt misschien een beetje onverschillig maar ik ben een beetje moe om te controleren of ze wel of niet geringd zijn. Maar als ik ergens via snelwegen door het land reis ontkom ik er niet aan en ongewild ga je weer in de modus om verkeersslachtoffers tellen: van A naar B, 14 kerkuilen. Als je na een week weer naar huis gaat het tellen gewoon weer verder: van B naar A, 12 kerkuilen. Als je in zo'n kort tijdsbestek zoveel verkeersslachtoffers vindt op een traject dan gaan mijn gedachten afdwalen over hoeveel kerkuilen dan wel niet de dood vinden op jaarbasis in de  rest van ons steeds dichter wordende wegennet met het intensiever toenemende verkeer in Nederland. Ongewild zie ik het militaire kerkhof Margraten voor me! Het lijkt misschien een rare gedachte maar die aanblik maakt het machteloze gevoel en de hoeveelheid slachtoffers op jaarbasis voor de argeloze weggebruiker inzichtelijk.
 
 
Van al die genoteerde verkeersslachtoffers heb ik een "slachtoffer" weer van de lijst kunnen schrappen. Op 20 december 2008 fietste ik vanuit Roermond naar St. Odilienberg en zag vanuit het schemerige Roerdal een Kerkuil aanvliegen. Op datzelfde moment kwam er ook een vrachtwagen over de Heinsbergerweg aan! Vanwege mijn voorgevoel stapte ik af en keek wat er zou gaan gebeuren! Ze kruisten elkaars wegen en zag hoe deze Kerkuil door de voorbijrazende vrachtwagen uit de lucht werd geplukt/gezogen en achter dit voertuig op het asfalt werd gesmeten. Een geluk bij een ongeluk was dat er achter de vrachtwagen geen ander voertuig aan kwam anders had die de rest gedaan! Ik liep naar de levenloze "uit de lucht geplukte" kerkuil. Uit ervaring weet ik dat ze niet altijd dodelijk verwondt hoeven te zijn.  Door de turbulentie en de smak op het asfalt kunnen ze even buiten westen raken. Onder de straatlantaarn bekeek ik de schade: geen bloed uit de snavel, geen gebroken poten of vleugels. Het was een ongeringd exemplaar. Terwijl ik hij/zij in mijn handen lag voelde ik het uilenhart kloppen. Ineens zag ik dat het hartgezicht naar mij toe draaide en mij knipogend aankeek! Uiteraard was ik op dat moment dolblij dat die nog leefde. Inmiddels reden er weer auto's langs mij dus ik besloot een zijweggetje in te lopen. Ik ontvouw voorzichtig mijn handen. Even keek de kerkuil beduusd rond en vloog geruisloos op uit mijn handen. De geluksvogel vloog een rondje over het weiland bij de knotwilgen. Met een plotseling haak dook de kerkuil in het gras en hoorde een laatste doodskreet van een muis! Oeps, die heb ik op mijn geweten! Er naar toe lopend vloog hij weer met een muis in de klauw op alsof er niks gebeurd was! Zo'n waarneming laat je niet onberoerd. Dit is ook een van mijn meest waanzinnigste waarneming van een, aan de dood ontsnapte, Kerkuil die op mijn natte netvlies is gebrand!
 

 
Hoe voorkom je verkeersslachtoffers? Er wordt in Friesland volop geëxperimenteerd om hectometerpaaltjes ongeschikt te maken als uitkijkpost voor de jagende kerkuil. Wellicht is het verwijderen van deze paaltjes wel een optie. Dan kunnen ze daar ook niet op zitten! Daar waar in het verleden veel kerkuilen zijn gesneuveld lijkt mij dat ook een experiment waard! Er wordt wel eens geopperd om bermen ongeschikter te maken voor Kerkuilen. Begrijpelijke gedachte  maar vreselijk kortzichtig! Ja, helaas worden  ze vaak doodgereden omdat ze juist hier jagen! Maar er zijn ook momenten van de nacht dat het rustig op de weg is! En dan zou het zonde zijn dat ook deze kilometers lange foerageerplekken ongeschikt zouden zijn gemaakt voor de kerkuil om te jagen op muizen. Dat kerkuilen juist in die bermen jagen heeft met het extensieve beheer te maken dat het zo'n geschikt jachtterrein is. Dit in contrast met het desastreuze beheer van onze landbouwgebieden! Het verdwijnen van bloemrijke hooilanden, hoogstamfruitboomgaarden, extensief begraasde graslanden, overhoekjes, houtwallen, heggen, ruige perceelsgrenzen en braakliggende akkers in een steeds verder leeggeruimd agrarisch landschap is de doodsteek voor de Kerkuil! Gelukkig zijn er nog steeds mensen die zich het lot van de kerkuilen aantrekken en doen wat ze kunnen doen om ze bijvoorbeeld nestgelegenheid aan te bieden. Het akker beheer rondom de boerderij Mortelshof, met jaren succesvolle kerkuilbroedsels, in Midden-Limburg geeft wat dat betreft een aardig inkijkje hoe het ook anders kan. Op deze manier kleinschalig landbouwbeheer landelijk groots aanpakken lijkt mij dan ook een succes formule en niet alleen voor de kerkuil.
 

Laatste voorkeur.

Soms is het vervelend dat je ongewild op moet staan omdat je blaas vol zit. Eenmaal verlost van de druk sta je dan slaperig in de huiskamer en werp je een blik op de klok.  Okay, het is half vier en juist als ik weer naar bed wil gaan melden de honden zich ook met hetzelfde probleem. Het is buiten verrassend lekker weer. Bijna windstil, volle maan, aangename temperatuur voor de tijd van het jaar en de bosuilen roepen in het landgoed. Ook in twee tuinen verder roept een bosuil. Dan vliegt er een geruisloos silhouet over de tuin en de duistere gestalte land in de grote eik. Dan laat hij zich op een onmiskenbare luidruchtige bosuilenmanier van zich horen!  Terwijl ik zittend op het terras geniet  van het hoorspel merk ik dat ik niet alleen ben: een spurtende bosmuis schiet onder de beukenhaag. Een paar dagen geleden had ik in de tuin de wildcamera voor een holletje met werpheuvel gezet. Dus de bewoner gaat blijkbaar ook iets verder van huis. We gaan maar even een rondje in het landgoed lopen en zie de zon met veel gloed opkomen.

Het begint alweer een beetje licht te worden en eenmaal weer in de keuken even koffie zetten. Dan een knal tegen het keukenraam maar naar buiten kijkend is er niks aan de hand! Schouderophalend ga ik verder met mijn ochtendritueel.  De hond wilt weer even naar buiten. Kwispelt aanwijzend heeft ze de oorzaak van de knal gevonden: een pimpelmeesje  (Cyanistes caeruleus).

Ik pak de levenloze pimpelmees op en leg hem achterin de tuin en wordt zo weer opgenomen in de voedselkringloop.

De koffie is op en het is buiten lekker weer  dus ik besluit om even in de schuiltent te gaan zitten. Er komt van alles zoals koolmees, winterkoninkje , vink,  roodborst, merel, huismus, heggenmus, boomklever, houtduif, Turkse tortelduif, grote bonte specht  en gelukkig een levendige pimpelmees.   Pimpelmezen staan erom bekend dat ze niet veel stil  zitten, dus ook niet voor een foto.  Deze onrustige ADHD  vogeltje zit vrijwel alleen stil als ze dood zijn of tijdens het eten. En dat is vandaag allebei gelukt. Maar eerlijk gezegd  geef ik toch de voorkeur aan die uitdagende laatste.

Linnerweerdse dassen.

Het is bijna niet voor te stellen maar er was een tijd dat de kennis over de verspreiding van de das (Meles meles) in Nederland zeer summier was. Om deze lacune op te vullen besloten de heren Anne van Wijngaarden en Job van de Peppel in 1958 vastberaden om verspreidinggegevens van dassen in Nederland te gaan verzamelen.  Ze slaagde er in om de landelijke verspreiding op burcht nivo in kaart te brengen. Het was geen eenvoudige klus en zeker in een tijd zonder internet. Door deze gegevens heeft dit tweetal de basis voor dassenbescherming in Nederland gelegd. In die tijd pleiten Wijngaarden & Peppel in hun rapport voor een krachtige wetshandhaving, het inrichten van speciale dassenreservaten, het verbieden van de jacht in natuurreservaten en het vergoeden van dassenschade aan de landbouw door de overheid. Ook hebben ze Midden-Limburg bezocht.

Ze vonden langs de linkeroever van de Vlootbeek zes dassenburchten (rode bolletjes). Slechts twee bleken er belopen. Vermoedelijk was er slechts een echt bewoond (grote rode bolletje). In de periode 1963 t/m 1966 was deze burcht elk jaar een kraamburcht. In 1973 was deze burcht slechts tijdelijk belopen. In 1977 en 1979 was de burcht steeds verlaten, in 1980 zelfs grotendeels vervallen. De overige burchten zijn na 1959 niet meer belopen aangetroffen. Op 28-9-1963 zijn op de kraamburcht klemmen en strikken gevonden. Deze en soortgelijke problemen deden zich voor op 27-3-1964, 29-10-1964, 27-1-1965, 14-5-1965 en 4-11-1965. Op 14-6-1973 waren er enkele pijpen dichtgestopt. Tijdens een recent veldbezoek aan de Linnerweerd kwam ik een oude man op een groene scootmobiel tegen en raakte met hem in gesprek. Hij is blijkbaar jager geweest en kon mij, naast de bekende oude locaties, ook nog drie andere oude burchtjes aanwijzen (oranje bolletjes). Maar je hoeft daar niet meer te kijken.... die hebben we vroeger "opgeruimd". En inderdaad hij had gelijk. Ik had niet hoeven te gaan kijken maar je weet maar nooit.  In die "goede oude" tijd ten zuiden en ten oosten van de Linnerweerd was het ook kommer en kwel voor de dassenpopulaties in het Reigersbroek, Linnerheide,  Munningsbosch en in het Roerdal. Het is dan ook geen wonder dat ik zelf tijdens de Landelijke dassencensus in 1990 geen burchten in de Linnerweerd heb aangetroffen. De Linnerweerd is een van de nog weinige natuurlijke uiterwaarden van de Maas die de dans heeft ontsprongen van grootschalige grindwinning. Het gebied is ongeveer 130 hectare groot. Duidelijk herkenbaar in het gebied zijn het Maasterras, de oude Maasmeander, kasteel Heystrum en het landgoed Ravenburg. Het gebied wordt tegenwoordig gebruikt voor populierenaanplant en een aantal agrarische doeleinden. Op het Maasterras ligt het dorp Linne. Door de redelijke verwevenheid van landbouw met natuur is er nog veel te zien zowel op ecologisch als landschappelijk gebied. Door de afwisseling van akkers, weilanden, bosjes, boomgaarden, landgoederen en niet te vergeten de schitterende vrij meanderende Vlootbeek die in de Maas uitmond is het een aantrekkelijk gebied. In de Linnerweerd zijn meerdere onverharde wegen aanwezig, die voor wandelaars en deels voor fietsers vrij toegankelijk zijn. Er zijn ook een paar verharde wegen in de Linnerweerd maar deze zijn gelukkig redelijk verkeersluw. Deze combinatie met goede mogelijkheden om een burcht te graven in de hoogte verschillen van de terrassen was en is de Linnerweerd nog steeds een geschikt leefgebied voor de das. Daarom is het maar goed dat het tij bijna is gekeerd!

Rond 2000 werd er stroomopwaarts van de Vlootbeek een kleine belopen dassenburcht (grote zwarte stip) ontdekt. Met het verstrijken van de jaren is deze burcht steeds groter geworden en kan nu de titel  kraamburcht dragen. Deze burcht ligt strategisch zeer gunstig als voorpost in de opmars naar de Linnerweerd. In 2010 kreeg ik een mailtje van een waarnemer die een das in de schemering over de Linnerweg bij de Vlootbeek had zien oversteken richting de Linnerweerd. Na een slapeloze nacht van opwinding ben ik de volgende vroege ochtend ter plekke gaan kijken. De speurmogelijkheden waren uitstekend dus voordat ik het wist was ik onderweg in de pas van de das. Dat leverde het volgende plaatje op! Trouwens Michiel Brink bedankt voor het mooie drone plaatje ondanks de slechte weersomstandigheden!

De das heeft de Vlootbeek aan de linker oever gevolgd en kwam uit eindelijk  bij de oude dassenburchtlocatie in de Linnerweerd uit. Hier heeft hij hier en daar een beetje gegraven, met zijn neus gewroet en uiteindelijk een keutel in een mestputje achtergelaten. Nu na ruim 35 jaar weer een das op deze oude dassenburchtlocatie, dat is geen toeval! Op de terugweg steekt hij via het bruggetje de Vlootbeek over en loopt over de onverharde Beekerweg. Dan duikt hij de boomgaard in. Uiteindelijk verlaat hij de boomgaard en loopt een stukje over de Ossenbergweg. Daarna steekt de das de Maasbrachterweg over. Via allerlei perceelsgrenzen komt de das op de onverharde Akkerweg en loopt daarna over de Grachtweg parallel aan de Vlootbeek. Omdat bij de N271 aan een kant dassenraster ontbreekt lopen ze gewoon deze drukke provinciale weg over. Via een openstaande poort zonder sluitwerk loopt de das weer veilig onder de nieuwe Rijksweg 73 door.

Vervolgens steekt de das de drukke (gevaarlijke) dubbelspoorlijn Maastricht-Roermond over. Onder deze spoorlijn ligt ook een loopplank maar deze is van beide kanten kapot. Dan is de das via het weiland weer veilig in de buurt van zijn burcht. Wat leren we van deze speurtocht? De ecologische verbinding tussen het Landgoed Rozendaal en de Linnerweerd is nog steeds intact en de fauna voorzieningen onder de A73 en de N271 redelijk voldoen aan de eisen van de das op een paar schoonheidsfoutjes. Na deze speurtocht heb ik wel contact opgenomen met een medewerker van de Gemeente Maasgouw om even van gedachte te wisselen. In 2012 kreeg ik weer een melding maar dit keer van een dode das vrouwtje op de Linnerweg/Vlootbeek. Een pionier voor de herbevolking van de Linnerweerd is zo helaas als verkeersslachtoffer in de kiem gesmoord. Daar baal ik best wel van maar hierdoor zie je wel dat er nog iets wezenlijks ontbreekt aan deze ecologische dasverbinding. Na de begrafenis maar weer een mailtje naar de Gemeente Maasgouw gestuurd dat de aanwezige faunapassage/loopplank onder de Vlootbeekbeek niet door de dassen gevonden wordt die hier recent is aangebracht. In 2014 heb ik de loopplanken voorzien van een dun laagje zand maar de prenten van dassen bleven uit. Zelf denk ik dat de dassen deze voorziening niet kunnen vinden. In vakterm noemt men dit: de voorziening mist daslogica.

In 2015 is Linnerweg eindelijk ingerasterd en is er een dassenrooster zodat het landbouwverkeer ongehinderd gebruik kan blijven maken van de landbouwweg.

Dit dassenrooster lijkt op een veerooster maar de liggers hebben een bredere onderlinge afstand van elkaar en die kan een das niet overbruggen. Dus kan de das hier niet de weg oversteken. Men verwachtte blijkbaar met deze actie dat de dassen gebruik gaan maken van de loopplanken onder de Vlootbeekbrug. Hoera..... zou je zeggen. Inderdaad de dassen steken hier niet over en sindsdien zijn er geen verkeersslachtoffers meer bij deze opening in het dassenraster bij de Linnerweg gevonden. Dus in die zin doet het dassenrooster goed zijn werk. Rond de jaarwisseling 2015-2016 kreeg ik meldingen van twee doodgereden dassen op de Maasbrachterweg en de Linnerweg (rode bolletjes). Bij deze twee meldingen in december en januari  heb ik uiteraard ook meteen gespeurd waar de dassen vandaan komen (looproutes rood). Ja, U raad het vast wel. Ze zijn afkomstig van de burcht uit het Landgoed Rozendaal.

Uit de speurgegevens van december blijkt inderdaad ook dat de das niet over het dassenrooster loopt! Maar helaas aan het probleem van de logische aansluiting van dassenraster naar de loopplanken is niks gedaan. Hierdoor gaan de dassen alternatieve routes zoeken om toch de Linnerweerd in te lopen met dodelijke afloop op de Linnerweg!

Gezien deze drie maal scheepsrecht gegevens lijkt het mij duidelijk dat ook aan dit nieuwe gecreëerde probleem iets gedaan moet worden om erger te voorkomen. De goedbedoelde  faunavoorziening (dassenrooster) die  mede financieel mogelijk is gemaakt door Provincie Limburg, Europees landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling, gemeente Maasgouw is,  gezien de twee recente verkeersslachtoffers, in mijn ogen geen echt succes. Sterker nog de combinatie van deze voorzieningen die niet op elkaar aansluiten slaan letterlijk en figuurlijk de plank mis! En hierdoor wordt het probleem van doodrijden verplaats naar een andere locaties. Zoals ook hier  op de Maasbrachterweg in januari 2016.

Op deze manier frustreren ze de herkolonisatie van dassen in de Linnerweerd. Dit kan toch niet de bedoeling zijn! Een geluk bij een ongeluk is dat de twee dassen zijn doodgereden binnen de ecologische verbindingszone (licht groene ondergrond) die in de structuurvisie van de gemeente Maasgouw is vastgesteld. Dat is een gewenste doorkijk naar 2030.

Hopelijk wordt deze zone niet alleen gezien waardevolle ruimtelijke buffer voor de bewoners tussen de bebouwing van Linne en de Clauscentrale. Het zou wenselijk zijn als deze verbindingszone ook daadwerkelijk ecologisch wordt ingericht. Het aanleggen van een logische dassentunnel vlak bij het dassenrooster onder  de Linnerweg en als aanvulling een dassentunnel onder de Maasbrachterweg (zie blauwe pijlen) zal dit probleem eindelijk oplossen en past binnen het beleid van een ecologische verbindingszone. Ik ga er dan ook vanuit dat deze instanties op kort termijn nogmaals in de buidel zullen tasten om er voor te zorgen dat er voor de dassen een veilige vrije toegang tot de Linnerweerd wordt gerealiseerd. Alleen zo biedt dat garanties in de toekomst voor een succesvolle gezonde stabiele dassenpopulatie in de Linnerweerd.

Noordzee kust Roerdalen.

Met het uitlaten van de hond loop ik wel eens over het fietspad langs de Provinciale weg. Overal langs de open zandplekjes in de vegetatie langs het asfalt zie ik alweer jonge kiemplantjes van Deens lepelblad. Deze is misschien wel de meest talrijkste zouttolerante plant die tegenwoordig in het binnenland gevonden kan worden. Naast het Deens lepelblad zijn er meer soorten zoals het vrij onopvallende hertshoornweegbree (Plantago coronopus), die langs gezouten wegen voorkomt.

Hertshoornweegbree komt wereldwijd voor in de kustregio's van Europa, Noord-Afrika en Voor-Azië. In België en Nederland komt deze plant van nature voor, als eenjarige of meerjarige kruidachtige plant. In hun oorspronkelijke leefgebied groeit hertshoornweegbree op ziltige, zandige plekken in duinen, op zeedijken, hoge schorren en groene stranden. Deze groene plant kan tussen de 5 en 20 cm hoog worden. De plant heeft een penwortel. De grondstandige bladeren staan in bladrozetten. Het blad is vlezig of zachtbehaard, enkelvoudig, lijn- tot lintvormig en/of veervormig ingesneden en toegespitst. Het heeft iets weg van een gewei van een edelhert vandaar ook zijn Nederlandse naam. De bladrand is gaaf of getand. De basis van de bladschijf is vleugelvormig. De nerven zijn in een veernervig patroon gerangschikt. De bladsteel is zeer kort of afwezig. De bloemstengel is rechtopstaand of opstijgend, behaard, rond en massief. De bloeiwijze is een aar. De witte bloemen zijn buis- of stervormig en radiair symmetrisch. De bloemen bestaan uit vier kroonbladen en vier kelkbladen. De kroon is even lang of korter dan de kelk. De bloemen hebben vier meeldraden en één stijl met één stempel. De hertshoornweegbree bloeit van juni tot september. Na bevruchting worden er doosvruchten gevormd.

Vroeger at men in de kuststreek Hertshoornweegbree omdat het een gemakkelijk bereikbare, goedkope en vooral gezonde groente was maar tegenwoordig wordt in Nederland Hertshoornweegbree niet veel meer gegeten en dat is op zich best jammer. Het is een Nederlands schoolvoorbeeld van vergeten groenten. Maar in (Noord-)Italië is deze groente altijd al een erg geliefd product geweest. Al minstens 400 jaar is deze "oude" lekkernij hier in cultuur. Italië is dan ook nog steeds wereldwijd de voornaamste leverancier van deze groente. Tegenwoordig is het vooral voor restaurants aantrekkelijk om trendy te voorschijn te komen met originele groenten uit vervlogen tijden. De jonge blaadjes van de Hertshoornweegbree kunnen zowel rauw (in salades) als gekookt worden gegeten. De oudere blaadjes zijn iets minder geschikt voor verwerking in de keuken. De oudere blaadjes zijn namelijk nogal taai. De vorm van deze prachtig, fijn generfd blaadjes van deze "historische" sla zijn echter erg decoratief in een salade.  Maar je kunt ze ook fijn hakken, blancheren en of rauw toevoegen als kruid.  In de keuken is deze plant als basis voor een heerlijke maaltijdsalade geweldig. Vanwege hun fijne aromatische smaak, die je kunt omschreven als: licht bitter, een beetje zuur en een lichte zilte bite zijn ze goed toepasbaar in soepen en sauzen. Hertshoornweegbree is gezond en bevat veel vitamine C, caroteen, vitamine B1 en voedingsvezels. De plant schijnt bloedzuiverende en geneeskrachtige eigenschappen te hebben. Net als de andere Weegbreesoorten bevat de plant in ieder geval (bewezen) antibacteriële eigenschappen. Plukken langs de zoutspatzone van de asfaltweg is af te raden maar geen nood voor de liefhebbers! Hertshoornweegbree is een gemakkelijke plant die zich goed in de tuin laat uitzaaien van maart tot augustus en kan al na zeven tot acht weken worden geoogst. Eet smakelijk!

Hertshoornweegbree gedijen tegenwoordig goed in de Nederlandse verzilte wegbermen. Die planten worden ook wel pekeladventieven genoemd, waarbij de term ‘adventief’ erop wijst dat ze van nature niet op de huidige vindplaatsen in bermen voorkwamen. Het succes van de pekeladventieven schuilt hem precies in het feit dat zij nog kunnen groeien waar andere planten dat niet (meer) aan kunnen. Een smalle strook langs het asfalt krijgt elke winter zoveel zout te verwerken dat de meeste grassen en bloemplanten er afsterven. Vaak zie je in het voorjaar dat de vegetatie er rosbruin verkleurd is. Omdat de pekeladventieven daar nog wel kunnen overleven, hebben ze van andere planten geen concurrentie te vrezen. Ik heb vorig jaar mijn ogen goed de kost gegeven en de groeiplaatsen van hertshoornweegbree in de Gemeente Roerdalen genoteerd.

De rode bolletjes geven de autosnelweg de A73 weer en dat past in het plaatje van de landelijke verspreiding. De oranje-achtige bolletjes zijn de groeiplaatsen langs de Provinciale wegen. En de blauwe bolletjes zijn de gemeentelijke wegen waar ik hertshoornweegbree heb gevonden. Hertshoornweegbree maakt niet alleen een geweldige opmars langs wegen maar wordt ook steeds meer in stedelijke milieus gevonden. In het dorp Sint Odilienberg vindt ik ook Hertshoornweegbree tussen de tegels van de trottoirs en bij de op- en afritten. Hierbij valt het wel op dat vooral de wegen die in de winter voor gladheidbestrijding  meerdere keren met zout zijn bestrooid meer kans hebt om deze plant aan te treffen.

Recent heb ik  op een stuk gazon in een woonwijk hertshoornweegbree gevonden. In het verleden is deze plek gebruikt om hier overtollige afgeschoven sneeuw, van het asfalt, te deponeren. Met het smelten van de sneeuw werd de zoutconcentratie hoger dan in de rest van het gazon. Als de verzouting in de loop der jaren oplost en andere planten weer kans krijgen om te groeien verdwijnt de hertshoornweegbree langzaam door de concurrentie. Hertshoornweegbree is dan ook een goede bruikbare zoutindicator en geeft in feite zoutverontreiniging aan. Dit voorval op kleine schaal laat zien dat het strooien van zout op kort en lang termijn schadelijk is voor het milieu. Dus het advies aan alle wegbeheerders is dan ook om in de winter verstandig om te gaan met de zilte kus  voor het asfalt.

Levende cultuurhoeders.

Vanuit de slaapkamer kijk ik in de vroege ochtend naar het landgoed. Wat een aangename verrassing! Er staat een schaapskudde op het veld. Vorig jaar was hier Engels raai gras ingezaaid voor zaadproductie. In het najaar was dit zijn de zaden geoogst en het gras groeide weer aan. Maar ook "onkruid" kreeg een kleine kans. Om het Engels raaigras in het voorjaar een frisse start te geven heeft de landgebruiker een schaapskudde  ingehuurd.

Het gedomesticeerde schaap stamt af van  verschillende soorten wilde schapen uit de geslacht Ovis. Deze komen in meerdere soorten voor in een gebied dat zich uitstrekt van het Midden-Oosten tot in Azië en verder tot in het oosten van Noord-Amerika. In Azië en in het westen van Iran komt de  moeflon voor. Dit is een zeer vroeg verwilderd schaap. Al deze wilde schapensoorten  worden over het algemeen beschouwd als de wilde voorouders  die een bijdrage hebben geleverd aan ontwikkeling van het gedomesticeerde  schaap. Vanuit het Midden-Oosten heeft het gedomesticeerde schaap zich door mensen geleidelijk over grote delen van de wereld verspreid. In Nederland is het houden van schapen omstreeks 5000 v. Chr. begonnen. Die schapen kunnen er ongeveer hebben uitgezien als de heidschnucke. Uit dit soort type schapen is in de loop van de eeuwen een aantal verschillende rassen ontstaan door natuurlijke selectie aan de verschillende leefomstandigheden zoals grondsoort, klimaat en door fokselectie door de mens. Op basis van het gebruik en de leefomstandigheden delen we de schapenrassen in de heideschapen die ontstaan zijn op voedselarmste gronden en de weideschapen ontwikkeld op voedselrijkere gronden.  Eenmaal in het veld raak ik in gesprek met de schaapsherderin. Ze komt met haar kudde uit Duitsland maar de taal vormt geen barrière. In Duitsland net over de grens heb ik deze kudde ook al eens gezien.  Hier worden ze ingezet voor het beheer van heidegebieden. In haar kudde  lopen daar ook een paar geiten bij. Die knabbelen graag aan jonge boompjes en helpen zo mondjesmaat mee aan het open houden van de heidegebieden. Ze zal een tijdje met haar kudde in het Roerdal verblijven.  De kudde bestaat uit een vrij zeldzame schapenras: witte horenloze heidschnucke.

De stamvader van dit ras is de heidschnucke. De heidschnucke kent zijn oorsprong uit de noordwestelijke deelstaat van Duitsland (Niedersachsen).  Dit ras was in Niedersachsen het belangrijkste schaap op de voedselarme gebieden zoals de Lünenburger Heide. In 1848 bedroeg de populatie ervan nog bijna 400.000 stuks en volgens andere bronnen zouden er het rond 1870 zelfs meer dan 1.500.000 geweest zijn. In de negentiende eeuw trokken grote kudden heideschapen over uitgestrekte ruige terreinen. De voornaamste reden daarvan was dat de dieren mest produceerden. De schapen vraten overdag van de vegetatie en werden ‘s nachts opgestald. De dieren mestten in de stal. De herders mengden de mest met heideplaggen en verspreidden het mengsel daarna over de schrale akkers.

De heidschnucke hoort thuis in het rijtje van kortstaartige Noordwest-Europese schapen en heeft een kenmerkende kop met lichtgebogen profiel. Dat ze weinig eisen stellen en tegen een stootje kunnen heb ik wel gezien in een bitterkoude winter op het winderige Duitse eiland Helgoland.

Het zijn tamelijk kleine lichtgebouwde dieren met fijne poten met erg sterke hoefjes. De ooien wegen ongeveer 45-50 kg en de rammen tussen de  60-75 kg. De schofthoogte varieert van 60 cm voor de ooi tot 67 cm voor de ram. Zowel rammen als ooien zijn gehoornd. Bij de ooien ziet men korte rechte horens. De  rammen hebben prachtig gedraaide horens die groter worden naarmate ze ouder zijn. De onbewolde lichaamsdelen zijn zwart. De jaarlijkse wolproductie gaat van 2 kg bij de ooien tot 3,5 kg bij de rammen, de kleur is grijs (Lüneburger heide) of wit (Oldenburger Münsterland). Op een leeftijd van 18 maanden kunnen de ooien voor de eerste maal gedekt worden, de bronst is wel seizoensgebonden. Eerstejaars ooien laten zich niet altijd dekken, en als het dan toch gebeurt is het meestal vrij laat, januari/februari. Ook bij de oudere ooien is de bronst vrij laat in het seizoen, zodat de lammertijd meestal pas in april begint. Ze hebben zeer goede moedereigenschappen en lammeren meestal gemakkelijk af. De lammeren zijn zwart bij de geboorte, hun wol doet wat aan die van de karakul denken en verkleurt gedurende hun eerste levensjaar. Pas na de eerste scheerbeurt, als het dier ongeveer een jaar oud is, krijgt het zijn kenmerkende grijze kleur. Helaas met de opkomst van kunstmest werden de heideschapen overbodig.  Hun aantal nam snel af. Ook werd er meer woeste grond omgezet in akkers en konden zo de arme zandgronden productief worden voor de voedselvoorziening. Hierdoor werd de schapenhouderij als mestvoorziening onbelangrijk. De neerwaartse spiraal werd daarnaast ook nog eens versterkt doordat er productievere schapenrassen verschenen die dit vrij primitieve ras verdrongen en ze werden met uitsterven bedreigd. Gelukkig gaat het weer, wat de aantallen betreft, beter met de heidschnucke. Er zijn veel liefhebbers van dit sierlijk schapenras. Niet alleen fokkers, hobbyisten maar ook op culinair gebied zijn er nogal wat restaurants die deze delicatesse op hun menukaart hebben staan. Het vlees van de heidschnucke smaakt naar wild en is zeer mals. Bij de heidschnucke gaat het niet zo zeer om kwantiteit maar om kwaliteit van het vlees. Hun klanten weten dit streekgebonden vleesgerecht dan ook zeer te waarderen.

De kudde van witte hoornloze  heidschnucke die achter mijn huis grazen is het resultaat van een fokselectie uit de grijze variant van de heidschnucke die ontstaan is in het begin van de jaren 1900. Bij deze vrij zeldzame variëteit van de witte hoornloze heidschnucke zijn zowel de ooi als de ram hoornloos. Die ochtend werd er ook een lammetje geboren en de navelstreng is nog zichtbaar. Zodra het lammetje  eenmaal goed op de poten stond  werd die al snel door zijn moeder aan de kudde voorgesteld.

Tegenwoordig maken we met behulp van de oude rassen de ontwikkeling van de landbouw en veehouderij van de afgelopen eeuwen op levendige wijze inzichtelijk. De schapen vormen zowel in cultuurhistorisch als in visueel-landschappelijk opzicht een belangrijk element. Daarnaast krijgen de dieren gelukkig weer meer waardering voor de belangrijke functie die ze kunnen vervullen binnen het landschap- en natuurbeheer. Mede door hun grazende aanwezigheid in heide gebieden zorgen ze ervoor dat het typische karakter van dit oude cultuurlandschap in al zijn facetten bewaard blijft voor de volgende generatie.

De laatste prenten van witneus.

Via de mail kreeg ik een berichtje van de Gemeente Roerdalen. Na een tijdje stond ik weer bij de bekende groene koelbox bij de gemeente loods. Ik haal even diep adem voordat ik de  dichtgeknoopte blauwe plastic  openmaak. Na al die jaren ben ik nog steeds niet gewend aan dode dassen (Meles meles). Wat jammer van zo'n mooie gezonde mannelijke das die dit keer op het provinciale asfalt N293 is gesneuveld.  Wat mij meteen opviel is dat deze das een witte vlek op de normaal zwart gekleurde neus heeft.

Terugkijkend in mijn archief vindt ik een filmpje van vorig jaar van een das met ook een witte plek op de neus.  De filmlocatie en de aanrijdingplek liggen hemelsbreed  anderhalve kilometer uit elkaar. Dit kan geen toeval zijn: dit is de zelfde witneusdas.  Hierdoor krijgt zijn dood een extra  persoonlijk tintje. En het is zo jammer omdat de weg opzicht goed is beveiligd door middel van dassenraster.  Op de aanrijdinglocatie zijn er twee grote openingen.  Deze openingen geven toegang naar de akkers voor het  landbouwverkeer en andersom ook ongewilde toegang voor de dassen tot de Heinsbergerweg. Helaas is er (nog) geen andere passende oplossing voor.

Het is te hopen dat er niet meer dassen gebruik gaan maken van deze twee openingen die tegenover elkaar liggen.  In de jaren 80 werd jaarlijks een groot deel (op sommige locaties 25 procent) van de in Nederland aanwezige dassenpopulatie  door het verkeer gedood. Dit gegeven was de aanleiding voor de Nederlandse overheden om een groot aantal uiteenlopende maatregelen te nemen, zoals de aanleg van faunatunnels en de plaatsing van rasters. Het verkeer is de belangrijkste doodsoorzaak van de das. Vanaf 1990 is er een trend te zien van toename van het aantal verkeerslachtoffers. Dit wordt veroorzaakt door een toename van zowel de verkeersintensiteit als ook het aantal dassen. Geschat wordt dat de sterfte door het verkeer de laatste decennia grofweg schommelt tussen de 10 en de 20% ten opzichte van de totale populatie. Omdat niet alle dode dassen worden gemeld en het aantal dassen geschat wordt, kunnen exacte percentages niet gegeven worden.  In de jaren 90 zijn er bij de Heinsbergerweg in het Roerdal gedeeltelijk dassenrasters geplaatst.

Zonder deze beschermende maatregelen voor dassen, zoals rasters (zwarte lijnen), zouden hier vast en zeker meer verkeersslachtoffers zijn gevallen. Zelf wordt ik altijd triest van zo'n vondst en besluit voor de verwerking om de omgeving van de aanrijdinglocatie  en de burcht te gaan bezoeken. Het is een hele troost  dat er nog steeds dassen rondlopen.  Zeker als je ziet hoe intensief de dassen van de Lorberg hun gebied benutten en dat ze ook vaak gevaarlijk dichtbij de Heinsbergerweg lopen. Na drie bezoekjes  heb ik het gebiedje na gelopen en de sporen (prenten, mestputjes, voedselputjes, uitgegraven muizenholletjes en haren in prikkeldraad) op het kaartje gezet (rode puntjes).  De grootste onderdoorgang bij de rivier de Roer onder de roerbrug staan altijd veel prenten. De kleinere onderdoorgang bij de Melicker Leigraaf  is recent door het Waterschap Roer en Overmaas en Provincie Limburg dasvriendelijker gemaakt. Ook deze onderdoorgang  wordt nu redelijk benut door de dassen. Om de aantrekkingskracht te verbeteren zou het mooi zijn als het Waterschap  langs de  Melicker Leigraaf meer begroeiing zou aanplanten richting de onderdoorgang. Uit het kaartje blijkt ook hoe belangrijk het is dat de Melicker Ohe Weg  afgesloten is voor gemotoriseerd verkeer. Dassen lopen, naast het oversteken, voor het gemak ook over de verharde landbouwwegen.

Bij de veldbezoeken zie ik helaas veel auto's over deze verharde landbouwweg rijden en ik kan mij niet voorstellen dat deze allemaal in het bezit zijn van een ontheffing. Zolang gerichte verkeerscontroles geen prioriteit heeft bij de overheden is een tractorsluis een goed alternatief om dit sluipverkeer een halt toe te roepen. De grote dassenburcht is ondanks het verlies van het mannetje nog steeds belopen.

Vanaf de bewoonde dassenburcht kijk ik richting  de basiliek van het dorp Sint Odilienberg. Meteen zie je ook dat er bij de Melicker Leigraaf groene begeleidende beplanting (behalve een zomereik)  ontbreekt. De rode pijl geeft de onheilsplek op de Heinsbergerweg aan.  Aan de voet van de steilrand  zijn ook nog een paar belopen pijpen van deze grote dassenburcht. Aan het prikkeldraad zitten typische zwart-witte dassenharen. Lopend over de kale maïsstoppel akker vindt ik naast verse prenten ook nog een paar oude prenten. Zijn dit de laatste afdrukken in het veld van witneusdas in de blauwe zak?

Stille tunnel.

Het is woensdag en vanuit Roermond rijden we over de snelweg A73 richting Venlo. Ongeveer 50 meter voor het ecoduct  Beeselsbroek zie ik een steenmarter levenloos op de vluchtstrook liggen. Die heeft helaas een afslag te vroeg gepakt. Of ligt het aan een of andere werkpoort die niet goed in rusthouding staat. Maar eerlijkheidshalve moet ik erbij vermelden dat steenmarters zich helaas niet altijd laten tegen houden door een faunaraster. Het zijn tenslotte behendige klimmers. Iets verder door zie ik weer een werkpoort met een grote kier open staan. Dieren die zich meestal wel laten leiden door het fauna raster kunnen via zo'n nalatige gaten toch op de snelweg komen. De verleiding van deze opening is ook een vos fataal geworden. Zijn staart wappert nog een keer fier in de lucht voordat een vrachtwagen ook dit laatste levensteken tegen het asfalt drukt. Een ekster pikt al rennend wat kleine stukjes wegspattende vosvleesrestjes van de snelweg. Eten wat de pot schaft en grijp je kans bij aanbiedingen is het motto van het dynamische asfaltrestaurant. Maar het aanbod is wel gezond en biologisch! Beter dan de snelle vette hap die het gemiddelde tankstation aan de reizende mens aanbiedt!  Eenmaal van de A73 krijgen we ook een beetje honger. Niet vanwege het schouwspel op de snelweg maar het is gewoon lunchtijd. Op de terugweg rijden we weer over de A73 en we zien dat er zich meer gasten in nette zwarte kostuums bij het buffet hebben aangemeld. Eenmaal halverwege in de Swalmentunnel zie ik links een verse kerkuil (Tyto alba) liggen. Sinds de volledige openstelling in december 2009 is dit bij mijn weten dit de eerste kerkuil die als verkeersslachtoffer in de gesloten Swalmentunnel is gevonden. Natuurlijk wilde ik graag weten of dit een geringd exemplaar is. Helaas is het een beetje te gevaarlijk en ook niet toegestaan om even te stoppen in de tunnel. Eenmaal thuis stuur ik een mailtje naar Rijkswaterstaat. En zo kom ik bij de juiste persoon terecht en kan ik over een paar dagen de kerkuil oprapen. Bij deze Jos en Willy alvast bedankt voor de gastvrije medewerking! Een paar dagen later is het zo ver, vrijdag avond meld ik mij bij het dienstengebouw. In de grote controle kamer hangen zeker veertig grote beeldschermen. Kijkend op de vele verkeersdrukke schermen wordt het mij slecht voor de ogen! Op deze manier houdt Rijkswaterstaat met permanente cameratoezicht traject dekkend de tunnels 24 uur per dag in de gaten. Deze avond staat er een geplande afsluiting voor reguliere onderhoudswerkzaamheden van de A73 Roer- en Swalmentunnel op het programma. De verkeersstroom in de tunnels is gestopt en die beeldschermrust is een genot voor je ogen! Na de nodige voorbereidingen kunnen we gaan. Eenmaal op de spooksnelweg komen we bij de slagbomen en na een telefonisch contact met de controle kamer gaat de slagboom speciaal voor ons open.

Terwijl de  kruizen op rood staan kunnen we de Swalmentunnel met een gerust hart binnen rijden. In de tunnel is het onderhoudslicht al aan dus we zien de kerkuil al vlug aan de linkerkant liggen. Vanwege de afwezigheid van voorbij razend verkeer kunnen we nu veilig stoppen. Het eerste wat mij opviel was de oorverdovende stilte. De stilte wordt doorbroken door het geluid van het fototoestel. Ook de kerkuil is een verstild leven en dit alles bij elkaar maakt het tot een bizarre ervaring.

We bekijken de poten maar er zit helaas geen ring aan. Dat had iets meer informatie kunnen opleveren. In de geest van deze avond hebben we de kerkuil opgeraapt en naar buiten gedragen. Eenmaal buiten lopen we in de open tunnelbak. Hier is een werkploeg met een hoogwerker aanwezig en die bezorgen de kerkuil de laatste vlucht naar de achterkant van de keerwand. Naar aanleiding van mijn kerkuil tip hebben ze in de controle kamer van Rijkswaterstaat de opgeslagen beelden van woensdag bekeken. Zover nu bekend is, is de kerkuil in de vroege woensdagochtend onder een vrachtwagen komen uitrollen. Het vermoeden bestaat dus dat de uil tegen de voorruit van de vrachtwagen is gevlogen of met een turbulente luchtstroom tegen het wegdek is gesmeten en zo de tunnel mee in is gesleurd. Helaas zijn de beelden zo wazig (heel ver ingezoomd) dat de oorzaak niet verder te achterhalen is. Maar misschien is de kerkuil wel op eigen kracht de tunnel binnen gevlogen.

Dat Kerkuilen gesloten ruimtes invliegen is niet heel ongewoon. In het verleden heb ik wel eens een roestende kerkuil onder een groot viaduct aangetroffen. Over het viaduct kwam veel vrachtverkeer en vlak naast de pilaar waar de kerkuil boven op sliep razen regelmatig treinen voorbij. Niet echt het ideale kerkuilbiotoop zoekplaatje uit de boekjes. Getuige de vele braakballen en krijtsporen is dit echt zijn roeststekje. Daarnaast vliegen ze ook vaak gebouwen binnen om daar te jagen of zelfs om te broeden. Eenmaal bij hun nestkast in de nok is er ook wel eens bij de ingang een lange inlooppijp (60 cm) geplaatst met een doorloopruimte van 15 cm bij 15 cm aangebracht om ongenode gasten zoals kauwtjes, duiven en steenmarters te weren. Waar de kerkuil vandaan komt blijft een beetje gissen. Misschien wel van een broedlocatie in een oude carréboerderij die vlakbij de tunnel bevindt. Jaren geleden, voordat het Swalmdal ontmaagd werd door de A73, heb ik een tijd op die schitterende boerderij gewoond. Elke avond als ik samen met mijn vriend Monty (door vele vergruisd als een onbetrouwbare waakhond) in de binnenplaats zat, vloog de kerkuil vaak krijsend rond. De  jongen op zolder sisten ook mee bij elke krijs. Het was een mooie tijd op Genoenhof en ik koester daar vele goede herinneringen aan. Terwijl we de tunnel verlaten en in de duisternis weer terug rijden naar het dienstengebouw moest ik denken aan wat ik precies drie jaar geleden had geschreven naar aanleiding van een dode kerkuil langs de A73: "Bij het opdoemende licht aan het einde van de tunnel bedenk ik me net dat ik in de Roertunnel tot nu toe nog geen dode Kerkuil heb gevonden. Soms moet je als mens ook woorden durven te zeggen om dingen proberen te veranderen wat niet te veranderen lijkt. Misschien moet Rijkswaterstaat autosnelwegen in de toekomst, daar waar het mogelijk is, ondergronds aanleggen. Waar een wil is, is een weg. Dan zal ik hopelijk geen prachtige pech meer vinden." Tja en nu vind ik zelf een kerkuil in een (Swalmen)tunnel....en of je nu wilt of niet daar wordt je vanzelf ook een beetje stil van.

Bizonder rund.

De eerste wisentachtige dieren verschenen 2 á 3 miljoen jaren geleden in Zuid en Oost-Azië. Zijn opvolgers koloniseerden onder meer Noord-Amerika, waar de Amerikaanse bizon (Bison bison) evolueerde. Een andere tak koloniseerde Europa en evolueerde tot steppewisent, die samen met mammoeten en wolharige neushoorns tijdens de ijstijden Europa bevolkten. Na de laatste ijstijd verdwenen steppewisent, mammoet en wolharige neushoorn definitief. Uit een naaste verwant evolueerde de huidige wisent. Deze wordt ook wel de Europese bizon (Bison bonasus) genoemd en is een evenhoevige uit de familie der holhoornigen.

Met het opwarmen van het klimaat koloniseerde deze grote delen van Europa:  van Zuid-Engeland tot diep in Rusland en van de Pyreneeën, Noord-Italië en de Balkan tot Zuid-Zweden. Ook op de bodem van het Nederlandse deel van de Noordzee zijn wisentbotten gevonden die stammen uit de overgangsperiode van de laatste ijstijd naar het Holoceen, het huidige geologische tijdperk. Tot het jaar 400 was deze verspreiding nog bijna onaangetast, maar daarna ging het helaas bergafwaarts. Net als andere grote zoogdieren, zoals oeros en tarpan (wild paard), verdwenen wisenten uit steeds meer gebieden in Europa. Jacht, stroperij, ontginning van leefgebied en concurrentie door huisvee waren de belangrijkste oorzaken en hun afname hield gelijke tred met de toename van de menselijke bevolking. In Engeland verdween de soort in de twaalfde eeuw, in Zuid-Zweden in de elfde eeuw en in Frankrijk en Duitsland in de veertiende eeuw. Ook in de Ardennen overleefden wisenten tot in de veertiende eeuw, waarna ze ook daar verdwenen. Alleen in het oosten hield de soort nog stand in de laatste onontgonnen gebieden en adellijke jachtreservaten. De wisent wordt onderverdeeld in twee ondersoorten: de laaglandwisent (Bison bonasus bonasus) en de kaukasische wisent (Bison bonasus caucasicus). De laatstgenoemde is als zodanig helaas al door menselijke toedoen in 1927 in de Kaukasus uitgestorven. De wisent is één van de grootste zoogdieren die in Europa voorkomt. De wisentstier kan een kop-romplengte van 300 cm bereiken en de koe een kop-romplengte van 270 cm. Mannetjes van zes jaar en ouder kunnen een schouderhoogte van maximaal 188 cm bereiken.

Een vrouwtje bereikt een maximale schouderhoogte van 167 cm. Kalveren zijn klein en licht en wegen bij de geboorte 15-35 kg. Het gewicht van wisenten ligt tussen de 436 en 840 kg bij mannetjes en tussen de 340 en 540 kg bij de vrouwtjes Het is een stevig dier met een korte, brede kop en een hoge rug. De romp is relatief kort en is bedekt met ruwe, donkere manen, waardoor het lijkt alsof dit gedeelte van het lichaam het zwaarst is. Vooral bij de stier is dit het geval. De achterkant van het lichaam is slechts met korte haren bedekt. De vacht is roodbruin van kleur, maar variatie in kleurnuances zijn mogelijk. Zowel de stier als de koe draagt korte, naar binnen en omhoog gekroonde horens.  Kleine stompjes zijn al te zien bij de kalveren.

Aan het eind van de 15e eeuw was de wisent door de jacht en de territoriumdrift van de mens al zo zeldzaam geworden, dat er maatregelen genomen moesten worden in de vorm van jachtrestricties. Dit vertraagde weliswaar het uitstervingsproces, totdat de soort aan het begin van de 20e eeuw echt op de rand van uitsterven balanceerde. De laatste wilde exemplaren stierven in 1919 in het woud van Bialowieza (Polen). In 1921 werd de destijds laatste wilde wisent, het grootste Europese landdier, doodgeschoten in het Poolse wildpark Bialowieza. Aan het begin van de vorige eeuw was er, van de eens zo wijdverbreide verspreiding van de wisent in Europa niks meer over. Er waren nog rond de 50 wisenten over, die alleen nog verspreid in een paar dierentuinen leefden. Artis-directeur Armand Sunier (1927-1953) startte in 1931 als een van de eerste dierentuindirecteuren ter wereld een fokprogramma om te voorkomen dat de wisent zou uitsterven. Eenvoudig was het niet: uit deze laatste exemplaren die nog in Europese wildparken leefden, moesten genetisch gezonde en niet-verwante dieren worden uitgekozen. Artis had toen één stier, Schaljapin. In 1931 kocht Sunier een wisentkoe Beatrice van de dierentuin in Berlijn. In een artikel uit 1955 schrijft Sunier: 'Reeds den 12den Juli 1932 schonk Beatrice ons een fraai koekalf, dochter van Schaljapin, dat Artisina gedoopt werd.' Natura Artis Magistra boekte de beste fokresultaten en speelde een essentiële rol bij het behoud van de wisent. Samen met een handjevol andere dierentuinen begon Artis vanuit het internationale fokprogramma de gefokte wisenten uit te zetten in het wild.

De laatste wisentkoe Kreole schonk in 2007 voor de laatste keer een wisentkalfje aan Artis.  Ze kreeg er tien in totaal. Maar Kreole was oud en ze leed aan uitgezaaide kanker. 's Ochtends vroeg op 25 augustus 2015 werd de laatste wisent met een genadige 23-jarige leeftijd geëuthanaseerd. Kreole's dood luidt het eind in van een tijdperk. Bijna honderd jaar lang werkte Artis mee aan een internationaal fokprogramma voor wisenten die in het wild zijn uitgezet. En nu is het afgelopen met de wisenten in Artis. De ruimte van Artis in de grote stad Amsterdam is beperkt en wisenten zijn enorme dieren. Het is van Artis dan ook een verstandige keuze en het is toch ook mooi dat ze voor de wisentproject niet meer nodig zijn!  Overal in Europa worden ze inmiddels gefokt en het gaat goed met de wilde populatie.  Anno 2015 is de Europese wisentenpopulatie gegroeid tot zo'n circa 5000 dieren verspreid over natuurgebieden, wildreservaten, fokcentra en dierentuinen. Hiervan leven nog geen 3500 wisenten onder (semi-) wilde omstandigheden. Sinds 1952 zijn er wisenten uitgezet in het Poolse deel van het oerbos van Bialowieza. Het was de eerste plek ter wereld waar na het uitsterven van de soort in het wild in 1919, wisenten opnieuw in vrijheid konden leven.

Ook in ander landen zoals in Bulgarije, Rusland, Letland, Spanje, Duitsland, Slowakije, Oekraïne, Denemarken op het eiland Bornholm. In Roemenië  werden in 2012 vijf wisenten vrijgelaten in het natuurpark. Het ging om de eerste wilde wisenten in Roemenië sinds hun uitroeiing in 1852. Ook de terugkeer van de Wisent in Nederland neemt steeds betere vormen aan. In het uitgestrekte bos- en duingebied tussen IJmuiden, Haarlem en Zandvoort ligt het 3800 hectare grote Nationaal Park Zuid-Kennemerland. In het toch al afgesloten duingebied  van het PWN (drinkwaterbedrijf en de beheerder van de Noord-Hollandse duinen)  van zo'n 220 hectare is men in 2007 gestart met een begrazingsproef met wisenten. Die kunnen het dichtgegroeide en vergraste duinlandschap weer 'open' maken, waardoor er weer verstuiving mogelijk wordt. Zelf ben ik ook eens een kijkje gaan nemen. Vaak zien mensen de wisent als de "koning van het bos". In het Oostblok overleeft hij opgesloten in het bos, en intensief bijgevoerd. Maar op basis van de ervaringen in het Kraansvlak concludeert men dat als de wisent kan kiezen komt hij juist heel graag uit het bos. Daar is de kudde het liefst in open gebied met struiken en dat is in de duinen volop aanwezig. In de Poolse situatie is de wisent dus een vluchteling geweest die zich diep in de bossen moest verschuilen om te overleven. Hierdoor is het menselijke beeld van de wisent behoorlijk aangepast. De wisent blijkt ook een echte graseter. Tachtig procent van zijn voedsel bestaat uit gras, twintig procent uit houtachtig materiaal als bast en twijgen. In de afgelopen jaren is het wisenten gebied al vergroot van 220 hectare naar in totaal 320 hectare. Met de komst van drie ecoducten over een paar drukke verkeerswegen ontstaat er de komende jaren in de breedste duinen van Nederland een aaneengesloten wisentgebied van zo'n 800 hectare. Dan zou de kudde wisenten kunnen uitgroeien tot meer dan 300 exemplaren.

De conclusie van deze Nederlandse ervaringen zijn belangrijk voor de toekomst. Hierdoor is de wisent veel breder inzetbaar voor natuurbeheer dan men in het begin kon vermoeden. Ook elders in het land zijn er concrete plannen om wisenten in te zetten voor natuurbeheer. Elke keer als ik in de Flevopolder kom kan ik het niet laten om ook even een bezoek te brengen aan de wisenten in het Natuurpark Lelystad. Maar volgend jaar hoef ik niet meer zo ver te reizen om wisenten  te zien. Ze komen steeds dichter bij huis. In 2016 is het Gelderse Kootwijkerzand (Veluwe) aan de beurt. Nog dichterbij huis worden in de Brabantse Maashorst  wisenten ingezet voor natuurbeheer. Naar verwachting  komt er een kudde van 13 exemplaren in maart naar de Maashorst. Aan deze introductie is de nodige discussie vooraf gegaan. Besloten is tot een stapsgewijze introductie vanuit een afgesloten deel. Dit zogenoemde 'wengebied' wordt vanaf februari voor een jaar gesloten voor recreanten. De aanwezige Schotse hooglanders hebben al het veld geruimd voor de wisenten. Op de goede afloop drink ik alvast een borreltje zubrówka.

Dit drankje heb ik leren kennen bij een kampvuur in het Poolse oerbos van Bialowieza. Dit is een gearomatiseerde graanwodka uit rogge, met 40% alcohol.  Aan het destillaat met een zeer hoog percentage alcohol, wordt een tinctuur toegevoegd van de plant veenreukgras (Hierochloe odorata). Dit geeft de wodka een specifieke smaak en gelige kleur. Deze grasplant wordt in het Pools ook zubrówka genoemd, naar zubr (wisent). Wisenten eten graag van deze grassoort. In iedere fles zubrówka zit een spriet van dit gras. Zubrówka wordt sinds de 17de eeuw geproduceerd en was in de 18de eeuw een van de populairste drankjes van de Poolse adel. Dat er meer gebieden komen voor wisenten in Nederland is niet alleen nodig voor natuurbeheer. Maar ook als onder de kunstmatige condities geconcentreerd in de bossen van Oost-Europa een dierziekte uitbreekt is het gedaan met de wisent. Het is dus een goede maatregel als risico spreiding voor het behoud van de gehele Europese wisentenpopulatie. Zo hou je altijd genoeg dieren achter de hand voor als het ergens in Europa weer mis gaat. Persoonlijk zou ik het zelf heel mooi en wenselijk vinden als er wisenten in een aantal natuurgebieden in Limburg komen. Ik denk bijvoorbeeld aan de Grensmaas, Nationaal park de Meinweg, Nationaal park de Maasduinen of het grensoverschrijdende Kempen-Broek. In deze gebieden kunnen de grazende huis-, tuin- en keuken koeien langzaam vervangen worden door wisenten. Nee mensen, ik heb dan niet te diep in het glaasje gekeken. Maar wees eerlijk een vol glas is lekkerder dan een half glas en dat geldt ook voor een begraasd natuurgebied met wisenten. Zo kunnen wij als mensen een beetje van onze gigantische natuurschuld aflossen aan deze bijzondere Europese runderen.

Tractorsluis tegen hardleersheid.

Dit verhaal had ik nog op de digitale plank liggen en leek me toch de moeite waard om die nu maar eens op de blog  te zetten. In december 2013 was ik uitgenodigd bij een familie in Melick (Gemakspoep 29-12-2013). Toen ik bij de schuur met Steenmarter in Melick was dacht ik bij mezelf: "ik ga daar een wildcamera plaatsen om de steenmarters te filmen". Maar helaas de accu was leeg en na een nacht opladen bleek deze nog steeds leeg te zijn. Accu kapot? Dan maar de firma bellen waar ik deze gekocht had. Dit verliep niet zo soepel, ze wisten niet goed welke accu ik bedoelde, dan maar een mailtje sturen met foto's als bijlage. Zo moet het wel lukken. Ik kreeg maar geen antwoord. Blijkbaar was mijn mail ergens op hun vakantie adres achtergebleven. Maar hoe dan ook om U een lang verhaal te besparen: Dan maar ter plekke naar het bedrijf gaan. Daar kreeg ik de gewenste gloednieuwe accu en ook een gratis nieuwe accu oplader! Wel zo aardig. De volgende ochtend kijkend op mijn computer had ik digitaal een Wild zwijn gevangen. Top, de wildcamera werkt dus weer! Door deze ongewilde vertraging van twee maanden wilde ik de wildcamera eindelijk plaatsen bij de Steenmarter maar ik kreeg een spijtige maar begrijpelijke mededeling: "Sorry, die is waarschijnlijk verhuist naar de buren want het stro in de stal is bijna op". Na wat heen en weer bellen/mailen kwam ik in contact met de buren. De buurman vertelde me een paar dingen aan de telefoon wat hij mee had gemaakt en dat bezorgde mij meteen het goede geplukte ganzenvel gevoel!! Een uurtje later stond ik met hem ter plekke te kijken vanaf de steilrand. Hij heeft uiteraard net, als zijn buren, een geweldig uitzicht over het Roerdal.

Eenmaal in de achterste wei liep er een spoor van gemorste stro van de schuur met steenmarter, van de buren, richting de houtstapels. Kijkend achter een ijzeren golfplaat die schuin tegen het hout staat was het onmiskenbare grote hol ingang met uitgegraven grond zichtbaar. Totaal zijn er drie verse pijpen. Er lag ook overdadig stro en hooi op de werpheuvel en een keutel (links in de hoek) van de eigenaar of beter gezegd de eigenaresse. Dat is geen steenmarterwerk maar hier is een Das (Meles meles) lekker bezig. 

Normaal poept een Das in een zelf gegraven kuiltje meestal verder van hun burcht af op bepaalde plaatsen in het landschap. Dat de keutels op de werpheuvel liggen duidt er waarschijnlijk op er een vrouwtje in deze nieuw ontdekte dassenburcht woont. Vrouwtjes die zwanger of waarvan de jongen pas geboren zijn doen hun behoefte vaak dichtbij huis. Dat zou een geweldige vondst en dubbele aanwinst voor het Roerdal zijn. Graaiend in de uitgeworpen grond vindt ik een paar dassenharen. De combinatie van zoveel vreugde en de geur van de dasgrond brengt me bijna in extase....een betere drugs bestaat er niet! Zwevend beland ik weer op aarde en eenmaal weer met beide benen op de grond gaan we de wildcamera ophangen. Dat wordt duimen. We besluiten om nog even verder te kijken. Dat de Das juist hier heeft gekozen voor deze plek is niet zo moeilijk. Voor de ruilverkaveling was deze steilrand van het Roerdal over een groot gedeelte steiler en was begroeid met een brede meidoornhaag en sleedoornstruweel. Tijdens de uitvoering van de ruilverkaveling in de jaren zestig zijn er veel sta-in-de-weg houtopstanden opgeruimd. En is de steilrand, om een flauwer talud te maken, met veel grond aangevuld. In die tijdsgeest van wederopbouw en vooruitgang was alles mogelijk. Het is dan ook niet ondenkbaar dat er vroeger hier of vlakbij al een dassenburcht is geweest. Maar hoe dan ook, dat de Das hier zich gevestigd heeft op deze hoogwatervrije plaats geeft aan dat de dassenpopulatie in het Roerdal zich steeds verder herstelt. In het extensief begraasde weiland ligt een rund vredig te herkauwen en zorgt voor een lekker kort grasland. Daarnaast trakteert ze de regenwormen met heerlijk vers ruikende koeienvlaaien. Kijkend naar de vele uitgepoepte wormenhoopjes tussen het gras, zit hier wel snor met de gezonde populatie regenwormen in het grasland. Tachtig procent van een dassenmenu bestaat namelijk juist uit regenwormen. In de vochtige nachten wagen de regenwormen zich naar buiten en draaien met hun gestrekte lijf rond vanuit hun holletje om dood gras of bladeren hun gang in te trekken. Door het korte rundgegraasde gras kan de Das, zonder te graven, met zijn bek goed bij de wormen komen en de wormen als spaghetti naar binnen slurpen. Als je deze slurpende en smakkende tafelmanieren van de Das in je leven een keer gezien en gehoord hebt zul je dat nooit meer vergeten. Vroeger stond hier nog een hoogstamboomgaard maar er is nog maar een oude hoogstamfruitboom over die  door zijn vader is aangeplant. Bijna elk jaar komen er veel fruit aan. Ideaal om in te wecken. Het overgebleven valfruit is voor de Das ook een goede voedselbron. Samen met een oude boom die de tand des tijd heeft doorstaan, regenwormen, hoogwatervrije plaats, stro en dekking onder de houtstapel zijn dat de belangrijkste redenen waarom de Das zich hier heeft gevestigd.

In februari en maart heeft de wildcamera een tijdje bij de dassenburcht gestaan. Omdat ik de wildcamera weer voor iets anders nodig had heb ik deze weer opgehaald. Er staan een paar leuke fragmenten op die een klein beetje de sluier oplichten van het geheime leven van de das. Mijn vrouw is zo creatief geweest en ze heeft de beelden verwerkt in een kort filmpje. Vlak bij de ingang vind een paring plaats die niet altijd zachtzinnig is. De paartijd  duurt van februari tot mei, maar ook buiten de paartijd vinden paringen plaats, voornamelijk van juli tot september. In de paartijd kunnen ook mannetjes uit naburige groepen paren met vruchtbare vrouwtjes. De paring duurt een kwartier tot een uur. De eigenlijke draagtijd duurt slechts zeven weken, maar wordt verlengd met drie tot tien maanden. In januari en februari worden de meeste jongen geboren. Per worp krijgt een dassenvrouwtje één tot vijf jongen. De jongen zijn blind en roze, met een dunne grijze vacht. Na vijf weken gaan de ogen open en na vier tot zes weken breekt het melkgebit door. Als de dassen twaalf weken oud zijn, hebben ze hun volwassen gebit. Na acht weken verlaten de jongen voor het eerst de burcht. De zoogtijd duurt minstens twaalf weken. Bij voedselgebrek kan de zoogtijd nog tot zes maanden duren. Nadat de jongen worden gespeend, leven ze de eerste paar dagen van halfverteerd voedsel, dat door de moeder wordt uitgebraakt. Mannetjes zijn na negen tot achttien maanden geslachtsrijp, vrouwtjes na twaalf tot vierentwintig maanden. Meestal blijven dieren hun hele leven bij dezelfde burcht, maar het komt geregeld voor dat dieren op een gegeven moment de burcht verlaten om zich aan te sluiten bij een andere burcht. Het zijn vaker mannetjes dan vrouwtjes die de burcht verlaten. De dieren sluiten zich soms aan bij naburige groepen, maar ze kunnen zich ook enkele kilometers verderop vestigen. Na een lange tijd sta ik weer voor een check-up bij de burcht  en zie dat die nog steeds verlaten is. Dat is ook geen wonder. Dassen worden in het wild maximaal veertien jaar, in gevangenschap tot zestien jaar. Vele dassen halen die genadige leeftijd niet en sterven veel eerder onder de wielen van auto's.

Zo ook in 2014 zijn er, vlak na de wildcamera opnames,  in de nabijheid  van deze nieuwe burcht een zwanger vrouwtje (grote zwarte bolletje) op de Melicker Ohe Weg als verkeersslachtoffer gesneuveld. Na dit verkeersslachtoffer werd het wel heel erg stil in en bij deze burcht. Sinds het verschijnen van het Dassenbeschermingsplan Roerdal in 1991 heeft de Gemeente Roerdalen er voor gezorgd door middel van verkeersborden dat de Melicker Ohe Weg in principe afgesloten is voor gemotoriseerd verkeer (rode lijnen). Maar helaas rijden er nog veel te vaak auto's zowel overdag als 's nachts over deze "afgesloten" verharde landbouwweg. Sinds de afsluiting zijn er hierdoor toch nog dassen (kleine bolletjes) doodgereden.

Dat maakt het stapje achteruit in het herstel van de dassenpopulatie in de Gemeente Roerdalen extra triest. De leeggereden nieuwe dassenburcht houden we ieder geval in de gaten. Terwijl ik van het uitzicht geniet zie ik alweer een auto met hoge snelheid over de Melicker Ohe Weg scheuren. Asociale automobilisten zijn  nu eenmaal helaas hardleers en dat vraagt om een andere aanpak ten behoeve van dassenbescherming in het Roerdal. Het zou goed zijn als de Gemeente Roerdalen toch nog eens overweegt om te denken aan een andere soort afsluiting zoals een tractorsluis.

Koele das.

Zoals ik al schreef in Happy badger day 30 maart 2014 hou ik voor de Grote bergerweg de vinger aan de pols.  We zijn inmiddels alweer 19 maanden verder. Een  trouwe melder stuurde mij  een mailtje met bloederige foto's van een dode das (Meles meles).  Deze is ten prooi gevallen aan het niet aflatende verkeer op de Grote bergerweg in de Gemeente Roerdalen. Ook via de buitendienst van de Gemeente Roerdalen  kreeg ik  een melding  van dit verkeersslachtoffer met als bijlage de exacte locatie. Mijn dank voor deze meldingen. Omdat beide melders niet wisten of het een vrouwtje of mannetje is  ben ik even zelf gaan kijken bij de gemeente loods. Hier komen de meeste verkeersslachtoffers die door de buitendienst zijn opgeraapt tijdelijk te liggen voordat ze naar een destructiebedrijf worden afgevoerd.

Tijdens het open maken van de  grote groene koelbox komt de koelte  je tegemoet. Er staat een grote grijze kliko in met een rode deksel.  Als ik de kliko uit de koelbox rij is het voelbaar dat er iets in ligt. Eenmaal de deksel open gemaakt zie ik de zwart wit rode das. We tillen de das er even uit om hem,  inderdaad het is een mannetje, even beter te bekijken.

Het is een forse kerel,  wat een doodzonde om  door het verkeer  zo weggerukt te worden in de kracht van je  leven. Er is mij regelmatig ter horen gebracht dat de Gemeente Roerdalen niks aan dit probleem wilt doen.  Het feit dat de Gemeente Roerdalen mij  standaard dode dassen meldt bewijst het tegendeel.  Maar gevoelsmatig  duurt  het mij vaak veel te lang voordat er iets gebeurd om verkeersslachtoffers te voorkomen. Zo ook op de Grote Bergerweg. In die 19 maanden zijn er inmiddels weer zeven dassen op de Grote Bergerweg doodgereden en behoort deze weg nu tot de belangrijkste "red road" van de Gemeente Roerdalen. Van die zeven verkeersslachtoffers  zijn er vijf op bekende oversteekplaatsen gevonden. Als deze plekken voorzien waren met  dassentunnels  onder het asfalt  waren die verkeersslachtoffers niet gevallen. Juist omdat dassen zo trouw zijn aan hun hoofdwissels zou dit probleem vrij eenvoudig op te lossen zijn met een dassentunnel. Daarnaast ligt deze weg een beetje verhoogd in het landschap. Technisch gezien vergemakkelijkt dit ook nog eens de aanleg.  Vanwege de heersende financiële crises en de daarbij behorende bezuinigingen heeft de gemeente in het verleden al aangegeven dat er voorlopig niks gaat doen om te voorkomen dat op de Grote Bergerweg dassen worden doodgereden. Dat wil niet zeggen dat de Gemeente niks wilt doen! Als er zich de gelegenheid voordoet dat de weg een groot onderhoud krijgt wordt de dassenvoorziening vroegtijdig in de plannen van een wegreconstructie mee genomen. Dat klinkt natuurlijk als een klinkende klok die heel veel geld zal schelen. Maar daar zit ook een valse noot aan. Een wegreconstructie kan nog heel lang op zich wachten met als gevolg van deze "kille" financiële maatregel  de reden is dat er nu zoveel  dassen als onnodige verkeersslachtoffers zijn gevallen.

Daardoor zal de dichtstbijzijnde dassenburcht (blauw bolletje) langzaam maar gestaagd " leeggereden" worden.  En dat kan naar mijn mening toch niet de bedoeling zijn. Deze financiële hobbel  frustreert dus het verdere herstel van de dassenpopulatie in de Gemeente Roerdalen.  Hoe meer verkeersslachtoffers er vallen hoe meer aandacht  er aan besteed zal gaan worden, hoe groter de druk op de politiek wordt  om dit probleem met een fauna voorziening op te lossen! Daarom roep ik de lezers op om de moed niet te laten zakken maar dode Dassen te blijven melden zodat er, crises of niet, gerichte beschermingsmaatregelen kunnen worden ondernomen. Vandaar dit ik dit verhaaltje ook schrijf  om vanuit het veld weer eens een duidelijk signaal af te geven naar de Gemeente raad van de Gemeente Roerdalen.  Uiteindelijk beslist toch de Gemeente raad hoe en waar de beschikbare budgetten voor worden ingezet. Deze werkwijze is helaas zo nodig om toekomstige koele dassen te voorkomen.

Groen plakplaatje.

Het is heerlijk vroeg in de ochtend en maak een rondje om het huis. Ook het fietspad maakt deel uit van het rondje.  Er zijn massaal  eikels van de zomereiken op de grond gevallen maar veel nakomelingen zullen het niet redden. Door de dagelijkse stroom van fietsende schooljeugd zijn ze vermorzeld.

Er vallen inmiddels ook tamme kastanjes. Als de prikkel bolsters op het fietspad vallen springen de mooie bruine kastanjes  eruit. Dat scheelt veel schoen- en peuterwerk. Zoals bijna elk najaar raap ik bij elk rondje twee jaszakken vol  en als het even kan prop ik mijn broekzak ook vol. Eenmaal thuis genoeg opgespaard voor het (Aan)stekelig herfstgerecht kan ik tevreden kastanje soep koken. Het is een koude nacht geweest dus dat gaat er altijd wel in. Tijdens het rapen vind ik ook doodgereden boomsprinkhanen. Maar deze missen vleugels dus bij deze heb ik voor mij zelf een nieuwe soort gevonden die ik ook weer van mijn sprinkhanenlijst kan afvinken. Ondanks de platte vorm is deze duidelijk te herkennen als een zuidelijke boomsprinkhaan (Meconema meridionale).

Het is een mannetje en aan het achterlijf hebben ze twee draad-achtige cerci die doen denken aan krekels. Het vrouwtje heeft een vrij lange,  sabelvormige legbuis die iets naar boven gekromd is. De mannetjes bereiken een lengte van 11 tot 13 millimeter en de vrouwtjes zijn 11 tot 16 mm lang. De sprinkhaan heeft een lichtgroene kleur met een duidelijke gelige streep van vooraan bij de kop tot aan het einde van het achterlijf. Op het midden van de achterzijde van het halsschild is een bruine vlek aanwezig. De zeer kleine vleugels zijn ongeveer even groot als het halsschild. De zuidelijke boomsprinkhaan is binnen Nederland met geen enkele soort te verwarren, omdat de volwassen dieren een karakteristiek uiterlijk hebben en vrijwel ongevleugeld zijn, in tegenstelling tot de boomsprinkhaan. Nimfen van deze laatste soort hebben nog geen ontwikkelde vleugels maar duidelijk zichtbaar zijn de vier vleugels in aanleg, in tegenstelling tot de twee vleugelstompjes van de zuidelijke boomsprinkhaan. De mannelijke exemplaren hebben geen gekartelde basis van de cerci, zoals de mannetjes van de boomsprinkhaan. Bij deze laatste soort ontbreekt ook de lichtere rugstreep. Deze van oorsprong Zuid-Europese soort is pas recentelijk bekend in Nederland en komt niet algemeen voor maar is alleen bekend van enkele geïsoleerde populaties. In België is één populatie bekend. Vermoed wordt dat de sprinkhaan is geïntroduceerd door meeliften op plantentransporten uit Zuid-Europa. Een grote populatie is bekend in zuidelijk Duitsland tegen de grens met Frankrijk. Verder is de zuidelijke boomsprinkhaan in Zuid-Europa goed vertegenwoordigd. De habitat bestaat uit allerlei vegetaties, waar de sprinkhaan in hogere delen is te vinden. De zuidelijke boomsprinkhaan is eenmaal volwassen actief gedurende de maanden augustus en november, de mannetjes laten zich vooral horen tussen zeven uur 's avonds en drie uur in de nacht. Het lokgeluid wordt gemaakt door met de poten op de ondergrond te trommelen, en bestaat uit korte series van ongeveer zes tikken. De sprinkhaan leeft van kleine diertjes die op planten leven, zoals bladluizen, en kan dus gezien worden als een nuttige soort. De zuidelijke boomsprinkhaan is door zijn verborgen levenswijze vrij moeilijk  te inventariseren omdat het geluid vrijwel onhoorbaar is (mannetjes trommelen met de achterpoot op takken of bladeren; wijfjes maken volstrekt geen geluid). Het gemakkelijkst is de soort aan te treffen door te kloppen op boomtakken, waarbij vooral zonbeschenen zomereiken dikwijls succes opleveren. De soort kan laat in de herfst nog worden waargenomen, wijfjes tot in november, wanneer ze eieren leggen in de spleten van de schors van dreefbomen. 's Nachts komt de soort op licht af en is daardoor vaak in huizen aan te treffen. Ook na een storm wanneer de dieren uit de bomen zijn gewaaid zijn ze te vinden. Zelf heb ik de ervaring  met boomsprinkhanen dat als je heel vroeg op pad gaat ze vaak op zandpaden, trottoirs en fietspaden kunt aantreffen. Vroege ochtendstond heeft dus  niet voor iedereen goud in de mond. Door pure onderkoeling laten ze zich vallen doordat hun ledenmaten stram worden en zich niet meer aan de boombladeren kunnen vasthouden. Als je de schijnbaar levenloze boomsprinkhanen in je gevouwen handen houdt worden ze opgewarmd en voel je ze ineens weer bewegen. Zo kunnen ze weer even verder met hun toch al zo korte leventje. Als ze op de grond vallen tussen de vegetatie wachten ze op de eerste zonnestralen die hun koude lichaam verwarmt zodat ze weer in de bomen kunnen in klauteren.

Maar als ze de pech hebben dat ze op het asfalt vallen waar veel verkeer over komt zijn ze, in hun verstijfde toestand, overgeleverd aan de leeuwen. Om de proef op de som te nemen loop ik de volgende ochtend over het fietspad die door het landgoed ligt. Helaas waren de fietsers mij voor en vind ik alleen een paar doodgereden sprinkhanen waaronder ook dit vrouwtje.

Die is te herkennen aan de  sabelvormige legbuis. Het zoeken naar verkeersslachtoffers van deze soort in de maanden oktober en november is een goede inventarisatie methode. Juist op de valreep dat ik de blog wil plaatsen ging ik even naar buiten in de tuin met een warme koffie mok. En dan valt mijn oog op een levende zuidelijke boomsprinkhaan mannetje die op een plant zit. Dat is klein geluk in Roerdalen! Even maar een digitaal plaatje van maken maar ik was al tevreden met de nieuwe groene plakplaatjes op het fietspad.

Buxusdroomland.

Het is regenachtige dag in de straat en op een natte trottoir zie ik een hulpeloos vlindertje op zijn rug spartelen. Met een aangereikt stokje grijpt de vlindertje zich vast. Zo kan ik hem beter bekijken. Wat een mooi vlindertje maar wat bij nadere beschouwing een motje is. Hij heeft een opvallende zwart witte tekening met een blauwe iriserende gloed over de vleugels. Deze soort heb ik zelf nog nooit gezien maar ik heb geen fototoestel bij me dus zet ik het mooie motje in de dichtstbijzijnde begroeiing. Twee dagen later zie ik weer zo'n motje maar nu op de auto zitten. Even mijn fototoestel binnen pakken. Dan vliegt die weg maar gelukkig land die  in de buxushaag in de voortuin. Het lampje van herkenbaarheid begint bij mij te branden, is dit de buxusmot? Daar had ik toch iets over gelezen in de exoten nieuwsbrief? Voordat die weer weg vliegt maak ik eerst maar eens een paar plaatjes.

En inderdaad,  het is de buxusmot (Glyphodes perspectalis (syn. Diaphania perspectalis). Deze mot  komt oorspronkelijk voor in Japan, Korea en China. Vermoedelijk is deze buxusmot rond 2005 in Duitsland geïntroduceerd via import van buxus of ander materiaal uit Azië. Pas in 2007 en vooral in 2008 is er in de Duitse plaats Weil am Rhein op grote schaal flinke schade aan buxusplanten door de rupsen van de buxusmot vastgesteld. Naast Duitsland zijn er In de rest van Europa ook verscheidene vondsten gedaan in Groot-Brittannië, Zwitserland, Oostenrijk en noordoostelijke delen van Frankrijk. Het kon natuurlijk niet lang uitblijven dat in ons export/import land   ook vlindertjes/rupsen verschijnen in het plantgoed.  De verspreiding in ons land leek zich nog te beperken tot de regio Bommelerwaard,  Zaltbommel, Andel, Geertruidenberg en omgeving. Maar rond september 2010 zijn er echter ook de eerste motten gesignaleerd  onder andere in Dordrecht, Spijkenisse,  Boskoop, Denekamp, Hellevoetsluis en in Beek (Limburg). Dat de rupsen de Nederlandse winters goed weet te overleven kunnen we er nu wel vanuit gaan de buxusmot zich ook in Nederland heeft gevestigd. Ervaring uit Duitsland leert dat de soort zich met circa rond de 6 kilometer per jaar verspreidt. In die lijn is het dan ook niet vreemd dat als je een tuin hebt met buxus deze soort ook kunt verwachten.

De rupsen kunnen gedurende het hele jaar worden aangetroffen. Hierdoor worden planten behoorlijk aangetast, waardoor herstel soms onmogelijk is en planten afsterven. Opvallende symptomen zijn dode en aan elkaar gesponnen blaadjes en ‘bladskeletten’. Zij leven in een spinsel op de waardplant, waarin zij uiteindelijk ook verpoppen. De rupsen hebben een zwarte kop en nekschild. Ze zijn felgroen met diverse zwarte wratten die omringd zijn door wittere gedeelten en duidelijke setae (beharing). De overwintering vindt plaats als halfvolgroeide rups, in een ijle cocon op de grond en doorstaat temperaturen tot ver beneden het vriespunt. De vlinders vliegen in twee generaties in het jaar en komen op licht. Zij kan worden verward met andere soorten, vooral die uit het genus Diaphania maar gezien het feit dat deze vlinders maar zeer zelden uit tropische landen worden geïmporteerd is de kans op verwarring klein. Maar wat er niet is kan nog altijd komen. De soort heeft geen geurpluim aan het eind van het lichaam, en de donkere banden over de vleugels bevat een kleine haakvormige inkeping. Er is nogal wat ophef over dit mooie motje. Overal waar deze in siertuinen en kwekerijen opduikt krijgt men er geen vlinders van in de buik! Al vele eeuwen vormt de buxus (Buxus sempervirens) het basisplantmateriaal voor tuinen van paleizen, bij statige herenhuizen en in tuinen van landelijke gelegen huizen.

De geschiedenis ervan gaat terug tot in de Romeinse tijd. De belangstelling voor tuinen en de inrichting ervan en vooral ook de toepassing van de buxusplant kende door de eeuwen heen perioden van bloei en verval, vaak samenvallend met perioden van voorspoed en groeiende welvaart of juist neergaande periode van armoede en recessie. De grandeur van de grote kasteeltuinen, met de weelderige aanleg in klassieke vormen met haagjes en vormsnoei vergt naast gedegen vakmanschap vanzelfsprekend ook uitzonderlijk veel en vooral arbeidsintensief onderhoud. De instandhouding van de grote siertuinen laat dan ook perioden zien van bloei en uitbundigheid, maar zeker ook van verval en teruggang naar minder arbeidsintensieve tuininrichtingen. Voor dit soort historische tuinen zou het uiteraard zonde zijn als ze aangetast worden door deze buxusmot. Of de buxusmot in onze tuin goed zal toeslaan is even afwachten. Zo heb ik nog even de tijd om na te denken over een andere inrichting en plantenkeuze van de voortuin als het zover is. Een voorbereid mens telt voor twee.

Als een doekje tegen het bloeden geeft de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit van het Ministerie Economische Zaken allerlei "nuttige" bestrijdingsmogelijkheden aan particulieren, groenvoerzieners/verzorgers en professionele telers.  De wereldwijde handel heeft Nederland welvaart gebracht maar als diezelfde Ministerie sommige zaken niet goed op orde heeft bestaat de kans dat de vruchten daarvan ook rotten. Het buxusmotje weet niet beter die doet gewoon wat die moet doen om te overleven. En als je onvrijwillig op transport wordt gezet en ver van huis in een buxusdroomland terecht komt dan gunt de buxusmot dat ook zijn kinderen.

Eikfuifbuffet.

Elk jaar begint de astronomische herfst op een andere tijd. En nooit op 21 september, zoals we misschien vroeger op school leerden, maar op de 22 of 23ste. De astronomische herfst is, in onze tijdrekening, zelfs nog nooit op de 21 september begonnen. Seizoenen ontstaan omdat de aarde rond de zon draait in ongeveer één jaar tijd en scheef staat ten opzichte van de zon. Als de aarde precies recht zou staan, zou er weinig verschil zijn tijdens het rondje rond de zon. Het noordelijke deel van de aarde is tijdens onze zomerperiode het meest naar de zon gekanteld, waardoor er meer instraling is, de dagen langer zijn en het warmer wordt. In onze winterperiode wordt juist het zuidelijk halfrond het meest opgewarmd. Tijdens de tussenliggende seizoenen, lente en herfst, worden de dagen respectievelijk langer en korter. Onder invloed van deze seizoenen bereiden planten en dieren zich in de herfst voor om de winter te overleven. Ook zo de zomereiken  (Quercus robur) in onze tuin. Na de bloei groeit het vruchtbeginsel van de bloemen uit tot de eikels. Het steeltje en vruchtbeginsel van de bloem verharden tot een soort kapje, dit is het bekende hoedje die je vaak nog aan eikels ziet zitten. Ze hebben een gemeenschappelijke lange steel (van 2 tot 9 cm). De eikels groeien met 1 tot 5 bij elkaar. Ze zijn langwerpig-eivormig. Jonge eikels hebben donkere lengtestrepen. De zaden zijn zeer kortlevend en hebben een houdbaarheiddatum van een jaar.

Is de eikel op een goede plek gevallen kan deze uitkomen met twee kiemblaadjes. Dit noemt men ook tweezaadlobbig. Wanneer de zogenoemde mast uit de boom valt, is er veel voedsel aanwezig voor dieren. Eikels zijn zeer voedzaam en bevatten tot 38 % vet. Vanwege dit belang mocht de eik niet zomaar gekapt worden. Hij kreeg daardoor een belangrijk aandeel in de bossen. Omdat de zomereik meer en grotere eikels produceert dan de wintereik, werd de eerste veel meer aangeplant. Eikels zijn een belangrijke bron van voedsel voor verschillende dieren die in het bos leven. Muizen, eekhoorns en vlaamse gaaien leggen bijvoorbeeld een voorraad aan van de eikels. Ze verstoppen ze als wintervoorraad om de winter te overleven maar waarbij een flink deel wordt vergeten. Hierdoor zorgen ze tevens voor de verdere verspreiding van de eik. Wilde zwijnen eten er graag van om een vetreserve op te bouwen voor de winter. In de middeleeuwen werden de varkens in de herfst de bossen ingedreven en "vetgemast". In die tijd ontstond ook het gezegde "op eiken groeit de beste spek". Daarnaast werden ze ook gebruikt als wintervoer voor de varkens die op stal bleven. Tijdens de Tweede Wereldoorlog werden eikels ook wel gebruikt als aanvulling van het voedselpakket, of om een surrogaatkoffie van te maken. Heel lekker was het niet, bovendien zitten er voor de mens giftige tannines (looizuur) in. Tannine binden namelijk eiwitten en zorgen er voor dat ze neerslaan zodat ze de essentiële functies voor het lichaam niet meer verzorgen met alle gevolgen van dien. Bij veel teveel opname van tannine kan maagklachten, darmenproblemen, braken, diarree, verlammingsverschijnselen, nierfalen op treden en je kan er zelfs dood aan gaan. De houtduiven (Columba palumbus) in onze tuin hebben daar blijkbaar geen last van.

Ze vreten zich letterlijk rond aan de eikels.  Als ze eenmaal een eikel gegeten hebben worden ze steeds gulziger. Ik ga er even rustig bij zitten om deze bizarre schranspartij te bekijken. Met klapperende vleugels gaan ze zelfs onderste boven hangen! In deze positie slikken ze de eikel ook door!  Soms was ik geneigd om de brandweer te bellen om de houtduiven uit hun benarde situatie te bevrijden, maar na zo'n tien minuten zaten ze toch weer normaal op de takken.  Ook wordt de eikel soms met hoedje en al naar binnen gewerkt. Oeff.... dan moet je toch een sterke maag hebben! En dat hebben ze ook.

Het  spijsverteringsstelsel van de houtduif heeft een paar bijzonderheden. De krop is over het algemeen sterk ontwikkeld bij de graaneters, terwijl hij eerder klein is en zelfs kan ontbreken bij de insecteneters. Bij de houtduif die zeer goed ontwikkeld en zelfs speciaal gebouwd voor de productie van kropmelk. In de vertering van de granen speelt de krop een relatief geringe rol, het is een vergaarzak waarin de granen een soort zwel- of weekproces ondergaan. Om te weken of te zwellen is water nodig. Vandaar de noodzaak tot drinken, ook een uur na de opname van voedsel. De kliermaag die relatief klein is bij de duif, echter groot bij sommige andere vogels, speelt bij de graaneters een geringe rol bij de vertering. De spiermaag daarenboven trekt zich regelmatig en ritmisch samen en dit zowat 2 tot 3 maal per minuut. De maag werkt zoals een molen en heeft van te voren ingeslikte stenen nodig voor haar werking. Zelf heb ik eens bij het opensnijden van een houtduivenmaag zeker vijf grote gladde kiezelstenen en meerdere kleinere ruwe steentjes aangetroffen. De samentrekkingen van de maag word erdoor  gestimuleerd en de vertering van het voer wordt zo verbeterd. De dunne darm is betrekkelijk korter bij de vogels dan bij b.v. de zoogdieren. Hij is langer bij de graaneters. Dat is noodzakelijk omdat in de dunne darm de feitelijke vertering van het voedsel plaats vindt. Hoe beter de maalderij van de spiermaag functioneert, hoe meer voedingselementen er in oplosbare toestand vrij komen om in de dunne darm opgenomen te worden. De kwaliteit van de brij die door de spiermaag afgeleverd wordt is dus van levensbelang. Na het turven van het hoogste aantal van twaalf binnen gewerkte eikels  vliegt een houtduif richting de mammoetboom. Vleugelklapperend wordt ze door haar jong met zeurende geluidjes verwelkomt  om voedsel te krijgen. Het is alweer het vierde nest wat de houtduiven in de tuin hebben grootgebracht. Het ouderdier spert zijn snavel open en voert het gulzige jong. Gezien de vele vliegoefeningen van het jong zal niet meer lang duren en kan dan op eigen vleugels de wereld in vliegen. Vanuit de mammoetboom kijk het jong vol interesse naar de andere houtduiven die in de zomereiken bezig zijn. Als de weergoden genadig zijn en het jong deze winter overleefd mag ze mee doen aan het volgende eikfuifbuffet.

Stil gluurgenot.

Vanaf de oude zeedijk kijken we over de Breebraartpolder. Wat is het hier druk aan vogels dat beloofd wat dus we lopen tussen twee aarden wallen rustig naar de vogelkijkhut.

In het kader van het Deltaplan is er een nieuwe zeedijk in de Groningse Dollard aangelegd. Deze is enkele honderden meters voor de bestaande dijk neergelegd. Hierdoor ontstond deze langgerekte polder van 63 hectare. De polder werd ingedijkt in 1979 en is daarmee het laatst ingepolderde stuk land van Groningen. Het zuidelijke en lagere deel van de polder was voor de inpoldering al een kwelder, die eerder was aangelegd in het kader van de landaanwinning. Hiervan zijn de greppels en hoofdgeul voor de afvoer van water nog steeds zichtbaar. Door de inpoldering is de typische kwelderbegroeiing verdwenen en vervangen door een soortenarme begroeiing met de gangbare agrarische grassen zoals engels raaigras en ruw beemdgras. Vanwege allerlei bedreigingen zoals een  buitendijks kanaal, het Dollardkanaal werd wegens milieubezwaren nooit aangelegd, besloot de milieuorganisatie Het Groninger Landschap in 1991 tot de aankoop van de polder.

Dit was een goede zet  om  er een natuurgebied van te maken, dat moest zorgen voor een 'verzachting' van de overgang tussen zoet en zout water. Om deze doelstellingen te bereiken werd in 2000 eerst een geul gegraven over de lengteas van de polder en vervolgens in 2001 een duiker door de nieuwe zeedijk heen gestoken om zeewater binnen te laten. Tevens werd een vistrap met vijzel aangelegd aan de oude zeedijk om zo de vistrek te herstellen.

Sindsdien heeft de kwelderbegroeiing van dit zoutwatergetijdengebied zich snel hersteld. Ook zijn er sindsdien enkele tientallen soorten zout- en zoetwatervissen aangetroffen. Als onderdeel van de herstelmaatregelen zijn er ook schelpenbanken aangelegd. Het resultaat mag er zijn! Het gebied is uitgegroeid tot een groot vogelgebied, waar nu de grootste broedkolonie van kluten (Recurvirostra avosetta) in Noordwest-Europa leeft.

Vanuit de vogelkijkhut hebben we mooi zicht op de honderden kluten die af en aan vliegen maar ook staan er veel kluten op de grond en in ondiep water. Het zwart/witte kleed van de kluut is onmiskenbaar. Zwart-wit verenkleed en het bonte patroon is in vlucht zeer kenmerkend. De lange poten van de kluut zijn blauw. De kluut komt voor in Europa langs de continentale Noordzeekust en in Zuidoost-Engeland. Ook in Zuid-Frankrijk, Sardinië, Italië, Griekenland en langs de Zwarte Zee. Een kwart van de Europese klutenpopulatie broedt in Nederland. Daarvan broedt ongeveer 60% in het Waddengebied en 35% in de Zeeuwse Delta. Kluten zijn kenmerkende pioniervogels die leven op de grens van land en zout of brak water. De kluut profiteert dan ook van de natuurontwikkelingsprojecten in deze gebieden.

Vooral zilte kreken, schorren, inlagen,  zandplaten en schelpenbanken zijn als broedgebied in trek. De nabijheid van ondiep water en losse, slikkige bodems is een vereist, daar kluten liefst daarin naar voedsel zoeken. Het menu bestaat uit kleine kreeftachtige, insecten en wormen. Deze prooi wordt gezocht op de tast met een  sterk omhoog gebogen, lange dunne snavel. Met snelle maaibewegingen wordt de snavel als een zeis door het water bewogen, de beide snavelhelften een stukje uit elkaar. Voelt de kluut daar iets tussen komen, dan sluit hij zijn snavel en de prooi is gevangen. De typische vorm van de snavel  maakt het mogelijk om heel nauwkeurig ook de zone net boven de bodem af te zoeken en om ook in troebel water, een groot voordeel gezien het leefgebied van de kluut. Nederlandse kluten zijn trekvogels en bijna allemaal brengen ze de winter door langs de kusten van Zuidwest-Europa of West-Afrika. Door de herstelwerkzaamheden in de breebaartpolder kun je er veel  andere vogelsoorten aantreffen. Zoals bontbekplevieren, grutto's, tureluurs, steenlopers,  goudplevieren.

Dan komt er een grote groep lepelaars (Platalea leucorodia)  langs. In de vlucht zijn de jonge lepelaars te onderscheiden van de oudere dieren door de zwarte vleugelpunten.  Sommige lepelaars landen in het ondiepe water en gaan fourageren. Aan de oever worden ze gade geslagen door twee grote zilverreigers (Casmerodius albus)  en een blauwe reiger (Ardea cinerea). Ook komen er paar grauwe ganzen (Anser anser) aanzeilen.

Doordat de lepelaars richting de reigers lopen zie ik een paar kleine visjes uit het water springen en de reigers zien hun kansen waar! Wat een mooi schouwspel! Op de achtergrond  zijn de lichtblauw tot paarsblauwe bloemen te zien van de zeeaster (Aster tripolium). Voor rotganzen zijn de bladeren een belangrijk onderdeel van hun menu. We besluiten om naar de nieuwe zeedijk te lopen.

In de verte is het zeehondenkijkwand al te zien. De Dollard was tot in de veertiende eeuw bewoond land onder invloed van een wispelturige Waddenzee. Vanaf de Marcellusvloed in 1362 nam het water regelmatig bezit van de Dollard. Als de zee zich terugtrok, volgden inpolderingen. In 1953 bereikte de Dollard zijn huidige omvang. Na het afsluiten van de Zuiderzee en de Lauwerszee is dit nog de enige zeearm waar zoet en zout water  elkaar ontmoet in het Nederlandse waddengebied. Dit noemt men een estuarium. De Dollard is daarmee ook een van de laatste Europese brakwater getijdenlandschappen. Heel bijzonder dus. Hierdoor ontstaat voedselrijk brak water. Dit is belangrijk voor een groot aantal planten en dieren die alleen in het Waddengebied kunnen leven. Via de kijkgaten kun je zonder ze te storen de  groep gewone zeehonden (Phoca vitulina) zien liggen. Vanaf een afstand lijken de zeehonden wel op een rij grote keien maar soms bewegen ze. De zonnende zeehonden geven je een rustgevende gevoel van een ongerept natuurgebied.

Maar de ligging en open verbinding met de zee maken het gebied ook aantrekkelijk voor industrie met de daarbij behorende scheepvaart en het uitbaggeren van de vaarroute. Het functioneren van het estuarium is door menselijk ingrijpen ernstig verstoord  en bevindt het natuurgebied zich in een slechte ecologische conditie. Bij vloed stroomt het water nu veel te snel de Eems in. De hoge stroomsnelheid zorgt ervoor dat het slib niet bezinkt, maar met eb en vloed mee blijft bewegen. De troebelheid van het water zorgt voor een keten van problemen: meer slib betekend  minder zuurstof in het water en daardoor minder vissen. Vanwege minder bodemleven ook minder natuur. Waardoor het zijn rol als hoogwaardig natuurgebied niet langer kan waarmaken. Zowel in Nederland als Duitsland werken overheden aan plannen die tot een verbetering van de ecologische toestand van de Eems-Dollard moeten leiden. Maar tegelijkertijd blijven die twee landen ook doorgaan met baggeren voor de  uitbouw van vaarwegen richting de havens in het estuarium. Het zijn dus terechte ernstige zorgen van de Nederlandse en Duitse natuur- en milieuorganisaties over deze ontwikkeling. Tijd voor Europese samenwerking dus! Op korte termijn moet er veel minder bagger gestort worden in de Eems. Op lange termijn moet ingezet worden op volledig systeemherstel. Eb en vloed moeten meer ruimte krijgen door een ander kustbeheer. In Duitsland zal de rivier de Eems meer ruimte moeten krijgen.

Over dit systeemherstel zijn inmiddels zijn er afspraken gemaakt met diverse organisaties, bedrijven en overheden die allen op een of andere manier werken in of aan de Dollard. Het is te hopen dat die maatregelen worden uitgevoerd want de Dollard is belangrijk. Voor de visstand, vogels,  mensen en voor de zeehonden. Wat is het leuk dat je hier van zo'n relatief kleine afstand gewone zeehonden op het land kunt observeren. Iedere dag met hoog water verzamelen de zeehonden zich onder aan de dijk om uit te rusten, eten te zoeken en te zonnebaden. De Dollard is de kraamkamer voor de Waddenzee. Hier ligt de oorsprong van veel voedsel voor dieren die leven in de Waddenzee.

Zo ook voor deze prachtige zeehonden. De vrouwtjes van de gewone zeehond kunnen gemiddeld vanaf hun vierde jaar jongen krijgen, de mannetjes zijn gemiddeld pas vanaf hun zesde jaar vruchtbaar. Ze paren van eind juni tot in augustus. De zwangerschap van de gewone zeehond duurt elf maanden. Daarvan zijn de eerste maanden een zogenaamde 'stille zwangerschap'. Het bevruchte eitje nestelt zich namelijk pas na een maand of twee in de baarmoeder en begint dan  te groeien. Eigenlijk is de draagtijd dus maar 9 maanden. Tegenwoordig worden de jongen vanaf half mei geboren. Dertig jaar geleden was dat nog half juni. Onderzoekers ontdekten dat de zeehonden steeds vroeger in het jaar jongen krijgen. De jongen worden geboren met laagwater, op drooggevallen zandbanken. Ze moeten vrijwel meteen, zodra de vloed opkomt, kunnen zwemmen. Tot drie weken na de geboorte drinkt het jong melk bij de moeder. In die tijd groeien zeehondenpups van rond 10 kilo tot 24 kilo. Dat gaat zo snel doordat de zeehondenmoedermelk heel erg voedzaam is, met een vetgehalte van 45%. Om te zogen gaan moeder en jong met laagwater op een zandplaat liggen. Precies in de tijd wanneer de jongen nog bij hun moeder drinken, is het ook het drukst met pleziervaart en wadloop-activiteiten. Daarom zijn er in de Waddenzee speciale rustgebieden aangewezen, waar gedurende de geboorte- en zoogperiode van zeehonden geen mensen mogen komen. Zo kunnen de jongen, zonder gestoord te worden, genoeg melk drinken om groot te worden. Na de zoogtijd gaat de moeder weer haar eigen weg en moet het jong zichzelf redden. Dan moeten de jongen hun eigen kostje bij elkaar scharrelen en pas dan leren ze zichzelf vis vangen en eten. Ondanks de afstand is ook hier stilte geboden om de gewone zeehonden niet te storen als je gluurt bij de kijkwand.